Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
14-2479 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:1913, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen. De ingezonden (medische) stukken bevatten geen medisch objectiveerbare onderbouwing voor het standpunt van appellante dat haar beperkingen zijn toegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2479 WAO

Datum uitspraak: 31 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2014, 13/5240 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. B.M. Voogt, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving vanaf 12 maart 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% vanwege beperkingen voor het verrichten van arbeid als gevolg van knieklachten. Bij besluit van 5 oktober 2000 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante ingetrokken met ingang van 6 december 2000, omdat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 19 september 2001 ongegrond verklaard. Dit besluit was mede gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waarin beperkingen waren opgenomen met betrekking tot bij appellante bestaande knie- en nekklachten. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 19 september 2001.

1.2.

Appellante heeft op 16 mei 2011 en 6 september 2011 verzocht om herziening van het besluit van 19 september 2001 en heeft gemeld dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is toegenomen in de periode van 6 december 2000 tot 6 december 2005. Bij besluit van

7 september 2011 heeft het Uwv geweigerd het besluit van 19 september 2001 te herzien, omdat appellante geen nieuwe informatie heeft overgelegd. Bij besluit van 22 mei 2012 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2011 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 22 mei 2012 heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Bij besluit van 22 maart 2013 heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, appellante een WAO-uitkering geweigerd, omdat appellante niet gedurende vier weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschikt is geweest door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 6 december 2000. Bij besluit van 3 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 maart 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet op een onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv niet concludent zijn. De verzekeringsarts van het Uwv heeft dossierstudie verricht, een anamnese afgenomen, appellante onderzocht tijdens het spreekuur op 28 juni 2012 en de door appellante ingebrachte stukken en verklaringen bij zijn oordeel betrokken. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een wijziging in de arbeidsongeschiktheid van appellante binnen vijf jaar na 6 december 2000. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich gebaseerd op dossierstudie, de gegevens verkregen bij de hoorzitting en de stukken ten aanzien van appellantes knieoperaties in 2001 en 2003 en heeft de conclusie van de verzekeringsarts bevestigd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de brief van dr. A. Preslica van

12 augustus 2005 een subjectieve klachtbeschrijving door appellante bevat en geen medisch objectiveerbare onderbouwing geeft voor het standpunt van appellante dat sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van haar knie- en nekklachten. Niet is gebleken dat de in de brief van haar fysiotherapeut van 2 november 2011 vermelde beperkingen aanwezig waren binnen vijf jaar na 6 december 2000.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar knie- en nekklachten zijn toegenomen binnen vijf jaar na 6 december 2000. Dit blijkt uit het feit dat zij twee knieoperaties heeft ondergaan in 2001 respectievelijk 2003. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de brief van dr. Preslica van 12 augustus 2005 een beschrijving van de subjectieve klachtenbeleving van appellante bevat. In deze brief geeft dr. Preslica een medische objectivering van de toegenomen knieklachten van appellante.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 21 maart 2013 vastgesteld dat het bij de knieoperaties in 2001 en 2003 ging om artroscopieën, kleine ingrepen die gezien de korte opnameduur ongecompliceerd zijn verlopen. Bij de ingrepen zijn geen afwijkingen vastgesteld die een wezenlijke wijziging in de belastbaarheid veroorzaken. Er was dus wel een kortdurende toename van beperkingen als gevolg van de ingrepen, maar die heeft niet geleid tot een situatie waarin appellante gedurende vier weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschikt is geweest. Het genezingsproces is goed en vlot verlopen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts in zijn rapport van 23 juni 2014 vastgesteld dat de brief van dr. Preslica een subjectieve klachtenbeschrijving van appellante bevat en geen medisch objectiveerbare onderbouwing voor het standpunt van appellante dat haar beperkingen zijn toegenomen. Geen aanleiding bestaat het oordeel van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden.

4.2.

Gelet op wat in 4.1 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2015.

(getekend) P.H. Banda

(getekend) I. Mehagnoul

UM