Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
14-4058 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met individueel taxivervoer van deur tot deur worden de beperkingen die appellante ondervindt bij het zich lokaal verplaatsen als gevolg van haar lymfoedeem en astmatische bronchitis ook naar het oordeel van de Raad voldoende gecompenseerd. Dat dit niet voldoende zou zijn voor appellante omdat zij heftig allergisch is voor (bepaalde) geuren, zoals zij ter zitting van de Raad heeft verklaard, heeft zij niet objectief medisch onderbouwd met - bijvoorbeeld - een verklaring van haar behandelend longarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4058 WMO

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juni 2014, 13/5740 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.J.W. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Appellante lijdt aan lymfoedeem en astmatische bronchitis. Zij heeft begin 2013 bij het college een aanvraag ingediend voor een op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) te verlenen financiële vergoeding voor het gebruik van de eigen auto. In de aanvraag is vermeld dat appellante in verband met haar astmatische bronchitis niet met andere mensen samen in één bus kan reizen en dat zij in verband met haar oedeem evenmin lang achtereen kan blijven zitten, zodat de regiotaxi ook niet geschikt is voor haar. Bij de aanvraag heeft appellante een verklaring van haar huisarts overgelegd, inhoudende dat appellante om medische redenen een eigen auto nodig heeft, omdat zij niet met het openbaar of collectief vervoer kan reizen.

1.2.

Het college heeft aan SCIO Consult medisch advies gevraagd. De medisch adviseur heeft in zijn rapport van 8 maart 2013 geoordeeld dat niet objectief medisch kan worden vastgesteld dat appellante ten gevolge van haar astmatische bronchitis niet met anderen samen in één bus kan reizen. Volgens de medisch adviseur gebruikt appellante adequate medicatie voor haar allergie en, zou de medicatie niet voldoende helpen, dan zou deze in samenspraak met de huisarts en/of longarts beter ingesteld kunnen worden. Wel acht hij het aannemelijk dat appellante beperkingen ondervindt bij het langdurig zitten in één houding als gevolg van de lymfoedeem. Het verstrekken van individueel taxivervoer zou daarvoor, volgens de medisch adviseur, een mogelijke oplossing zijn. Omdat appellante in het gesprek met de medisch adviseur zelf heeft verklaard een uur auto te kunnen rijden, kan echter een medische beperking om gebruik te maken van het collectief vervoer niet worden onderbouwd.

1.3.

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen omdat het onderzoek van de medisch adviseur heeft uitgewezen dat zij in staat moet worden geacht met het collectief vervoer (regiotaxi) te reizen in [woonplaats] en omgeving. Een medische beperking die daaraan in de weg staat kan onvoldoende worden onderbouwd.

1.4.

Bij besluit van 25 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 maart 2013 ongegrond verklaard. In het bestreden besluit is het volgende vermeld (waarbij voor ‘belanghebbende’ appellante moet worden gelezen):

“Wij merken nog op dat belanghebbende, indien zij dit wenst, bij de afdeling Werk en Inkomen kan verzoeken om een regiotaxipas voor individueel vervoer. In dat geval kan belanghebbende per vervoersmoment bekijken of zij met een bus(je) vervoerd wil worden of met een personenauto. Bij individueel vervoer is sprake van vervoer van deur tot deur. Dit betekent dat belanghebbende de enige in de taxi is, en er ten volle rekening kan worden gehouden met haar fysieke en allergische beperkingen.’.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch advies van SCIO Consult kan worden aangemerkt als een zorgvuldig tot stand gekomen deskundigenadvies. Het college kon zijn besluitvorming op dat advies baseren. Appellante heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd of (medische) gegevens verstrekt op grond waarvan aan de juistheid of volledigheid van het advies getwijfeld zou moeten worden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar beroepsgronden herhaald. Zij voert in het bijzonder aan dat haar verklaring tegenover de medisch adviseur dat zij een uur auto zou kunnen rijden, ten onrechte niet is genuanceerd in de zin dat zij bedoelde te zeggen dat zij bij ideale omstandigheden maximaal één uur kan autorijden en dat zij zelfs binnen dat tijdsbestek een aantal rustpunten moet inbouwen. Volgens appellante hoeft zij deze nuancering niet medisch te onderbouwen, zoals het college stelt. Het is immers de taak van de medisch adviseur om zich een mening te vormen over haar beperkingen. De arts had deze beweerdelijke uitspraak niet mogen overnemen in zijn rapport zonder te bezien of appellante daartoe echt in staat is. Ter zitting heeft appellante desgevraagd toegevoegd dat zij ook niet met individueel taxivervoer zou kunnen reizen, omdat zij een astma-aanval kan krijgen als de chauffeur een geurtje op heeft waar zij allergisch voor is. Ten slotte heeft appellante verzocht haar schade bestaande uit de wettelijke rente over de ten onrechte geweigerde financiële tegemoetkoming te vergoeden.

3.2.

Het college heeft in verweer herhaald dat hij het bestreden besluit mocht baseren op het advies van de medisch adviseur van SCIO Consult, omdat appellante geen medische informatie heeft overgelegd waaruit kan blijken dat het advies onjuist of onvolledig is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat in hoger beroep is aangevoerd vormt in grote lijnen een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank tot het zijne. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.

4.2.

Appellante betwist niet dat zij tegenover de medisch adviseur van SCIO Consult heeft verklaard dat zij een uur kan autorijden. Uit het verslag van de medisch adviseur blijkt niet dat zij die verklaring tegenover de medisch adviseur heeft genuanceerd in de zin zoals hiervoor

onder 3.1 is weergegeven. Wat daar ook van zij, voor de medisch adviseur was deze verklaring aanleiding om te concluderen dat appellante in beginsel met het collectief vervoer (de regiotaxi) zou moeten kunnen reizen. Niettemin adviseerde hij het college om aan appellante, in verband met haar aantoonbare aandoeningen en beperkingen, individueel taxivervoer van deur tot deur toe te kennen. Blijkens het hiervoor onder 1.4 opgenomen citaat uit het bestreden besluit zal het college positief besluiten wanneer appellante een aanvraag daarvoor indient. Ter zitting van de Raad is dit nogmaals bevestigd door de gemachtigde van het college.

4.3.

Met individueel taxivervoer van deur tot deur worden de beperkingen die appellante ondervindt bij het zich lokaal verplaatsen als gevolg van haar lymfoedeem en astmatische bronchitis ook naar het oordeel van de Raad voldoende gecompenseerd. Het individuele taxivervoer rijdt immers rechtstreeks naar het gewenste adres, waardoor de rit korter kan zijn, en desgewenst kan worden onderbroken. Dat appellante met individueel taxivervoer niet voldoende gecompenseerd zou zijn omdat zij heftig allergisch is voor (bepaalde) geuren, zoals zij ter zitting van de Raad heeft verklaard, heeft zij niet objectief medisch onderbouwd met

- bijvoorbeeld - een verklaring van haar behandelend longarts. Dit leidt de Raad dan ook niet tot een ander oordeel. Anders dan appellante meent, is het aan haar om medisch te onderbouwen dat zij veel ernstiger beperkt is dan door een medisch adviseur bij - zorgvuldig en volledig - medisch onderzoek is geconstateerd.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. Omdat het hoger beroep niet slaagt is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) D. van Wijk

HD