Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3021

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
14/236 Wia
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep herhaling van gronden en argumenten, die de rechtbank op juiste wijze heeft besproken en voldoende gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De noodzaak voor een medische urenbeperking op de datum in geding is niet inzichtelijk gemaakt. Geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/236 WIA

Datum uitspraak: 28 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

6 december 2013, 13/953 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 25 juni 2015 de gronden van het hoger beroep aangevuld en tevens aanvullende stukken overgelegd. Het Uwv heeft op die stukken gereageerd door overlegging van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 juli 2015.

Appellant heeft op 3 juli 2015 nogmaals aanvullende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn echtgenote C. Wassink. Voor het Uwv is verschenen mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 1 juni 2009 met rug- en psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als projectmedewerker voor 36 uur per week. Op 27 april 2011 heeft het Uwv de verplichting tot doorbetaling van het loon van de voormalige werkgever van appellant verlengd tot 28 mei 2012.

1.2.

Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 12 juni 2012 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 28 mei 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Daaraan lag het standpunt ten grondslag dat appellant met zijn medische beperkingen geschikt was voor werkzaamheden in passende functies.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 januari 2013 (bestreden besluit), onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de verzekeringsgeneeskundige rapporten, geoordeeld dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen van appellant of aan de vastlegging daarvan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank heeft overwogen dat in de brieven van de behandelend zenuwarts R.H.S. Dekker van 31 mei 2012, 21 december 2012 en 27 juni 2013 geen inzichtelijke motivering is gegeven voor de noodzaak van een urenbeperking tot maximaal 50%. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als neergelegd in het rapport van 12 augustus 2013 - in lijn met zijn rapport van 7 januari 2013 - dat in passend, weinig stresserend werk, rekening houdend met de fysieke beperkingen er geen indicatie is voor een aanvullende urenbeperking.

2.2.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, heeft de rechtbank voorts overwogen dat appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de geselecteerde functies.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. Ter ondersteuning van zijn stelling heeft appellant gewezen op een operatieverslag plastische chirurgie van 6 juni 2014, een rapport van een verzekeringsarts van het Uwv van 9 april 2015 met bijbehorende kritische FML, een schrijven afkomstig van zijn huisarts van 27 mei 2015, een verslag van [naam bedrijf] van 18 juni 2015 en een schrijven van Dr. J.W.M. Vehof, plastisch chirurg, van

29 juni 2015. Ten slotte heeft appellant verzocht om een deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, hierbij heeft het Uwv tevens gewezen op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 juli 2015.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. De rechtbank heeft de gronden van het beroep op juiste wijze besproken en voldoende gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank daarover volledig. De Raad wijst er voorts op dat de datum in geding 28 mei 2012 is. Het gestelde in het schrijven van de huisartsenpraktijk verwijst naar een afsluitende brief van 27 juni 2013 van Dekker. Op deze brief heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 12 augustus 2013 gereageerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat een noodzaak voor een medische urenbeperking op de datum in geding niet inzichtelijk is gemaakt. Aan de overige door appellant in hoger beroep ingebrachte stukken zijn onvoldoende aanknopingspunten te ontlenen voor het standpunt van appellant dat een urenbeperking of, gelet ook op de weergave in het rapport van de verzekeringsarts van 31 mei 2012 van diens onderzoek aan de rechterhand, beperkingen voor het gebruik van die hand aangewezen zijn. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat de Raad, evenals de rechtbank, zich over de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid ten tijde hier in geding voldoende voorgelicht acht en dat er geen aanleiding is om een deskundige te benoemen.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat hij in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor hem geselecteerde functies.

4.3.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2015.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) P. Uijtdewillegen

NW