Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
13/6490 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft met ingang van 1 februari 2011 ontslag genomen en werkgeefster heeft appellante met ingang van die datum eervol ontslag verleend. Daarmee kwam een einde aan de arbeidsovereenkomst en was appellante niet langer verzekerd op grond van de ZW. Geen sprake van een nieuwe arbeidsovereenkomst of dat werkgever na 1 februari 2011 nog loon was verschuldigd, er is ook nooit loon betaald na die datum. De enkele omstandigheid dat na 1 februari 2011 werkzaamheden door werknemer zijn verricht voor werkgever maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6490 ZW

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

29 oktober 2013, 13/1053 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft S.G. Volbeda, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Volbeda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft op 1 september 2005 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met [naam werkgeefster] (werkgeefster). Op grond van deze overeenkomst was appellante met ingang van 1 augustus 2005 werkzaam als docente aan de [naam school] te [plaatsnaam] .

1.2.

Bij brief van 29 december 2010 heeft appellante met ingang van 1 februari 2011 ontslag genomen. Bij “verklaring van ontslag”, gedateerd 11 januari 2011, heeft werkgeefster appellante met ingang van 1 februari 2011 eervol ontslag verleend.

1.3.

Op 4 maart 2011 heeft appellante een skiongeval gehad. Bij brief van 3 december 2012 heeft zij met ingang van 4 maart 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aangevraagd.

1.4.

Bij besluit van 18 december 2012 heeft het Uwv geweigerd om appellante in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering, omdat zij met ingang van 1 februari 2011 niet langer verzekerd was voor de ZW en zij meer dan vier weken daarna ziek is geworden.

1.5.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst van appellante met ingang van 1 februari 2011 is beëindigd en dat appellante op grond van deze arbeidsovereenkomst met ingang van die datum niet langer verzekerd was voor de ZW. Vervolgens heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat na deze datum geen nieuwe arbeidsovereenkomst tussen appellante en werkgeefster tot stand is gekomen op grond waarvan appellante is verzekerd ingevolge de ZW. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv appellante terecht niet in aanmerking gebracht voor ziekengeld, omdat de ziekmelding van appellante met ingang van 4 maart 2011 is gelegen buiten de termijn van vier weken na het einde van haar verzekering.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar dienstbetrekking na 1 februari 2011 doorliep, omdat zij na die datum nog tot en met 8 februari 2011 (afrondende) werkzaamheden voor werkgeefster heeft verricht. De omstandigheid dat werkgeefster hiervoor geen loon heeft betaald, betekent niet dat deze verplichting niet bestond.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen 4.1, 4.2 en 4.5.1 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante na 1 februari 2011 terecht niet verzekerd is geacht voor de ZW.

4.3.

Bepalend voor het antwoord op deze vraag is of appellante na 1 februari 2011 werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de ZW. Hiertoe is vereist dat appellante na

1 februari 2011 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot een werkgever. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en

ECLI:NL:HR:2012: BU8926).

4.4.

Niet in geschil is dat appellante met ingang van 1 februari 2011 ontslag heeft genomen en dat werkgeefster appellante met ingang van die datum eervol ontslag heeft verleend. Daarmee is een einde gekomen aan de onder 1.1 genoemde arbeidsovereenkomst en was appellante niet langer verzekerd op grond van de ZW. Dit zou anders kunnen zijn indien de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ongedaan was gemaakt dan wel als partijen aansluitend een nieuwe arbeidsovereenkomst hadden gesloten. Hiervan is niet gebleken. Het was naar eigen zeggen van appellante juist haar bedoeling om op korte termijn als zelfstandige te beginnen. Werkgeefster betwist blijkens haar brief van 18 februari 2013 het ontstaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst en dat zij na 1 februari 2011 nog loon is verschuldigd. Werkgeefster heeft appellante ook nooit loon betaald voor door appellante verrichte werkzaamheden na

1 februari 2011. De enkele omstandigheid, dat appellante na 1 februari 2011 nog werkzaamheden heeft verricht bij werkgeefster, brengt niet mee dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ongedaan is gemaakt dan wel dat een nieuwe arbeidsovereenkomst is ontstaan.

4.5.

Het voorgaande betekent dat het Uwv appellante met ingang van 1 februari 2011 terecht niet verzekerd heeft geacht voor de ZW en appellante terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een ZW-uitkering. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) B. Fotchind

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de berippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

UM