Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
14/3812 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Schending inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3812 WWB

Datum uitspraak: 1 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
27 mei 2014, 13/8272 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Kaste. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 1 juli 2013 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij de aanvraag heeft zij opgegeven te wonen op het adres [adres] te [woonplaats] (opgegeven adres).

1.2.

Het college heeft onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante, waarbij onder meer het opgegeven adres is geobserveerd en in aansluiting op een gesprek met appellante op 20 augustus 2013 op dat adres een huisbezoek is afgelegd. De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 28 augustus 2013.

1.3.

Bij besluit van 28 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 november 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Zij heeft niet voldaan aan de op grond van artikel 17 van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat zij niet woonde op het opgegeven adres.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en financiële situatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 1 juli 2013 tot en met 28 augustus 2013.

4.4.

Nog daargelaten dat de auto van appellante in de perioden van 12 juli tot 17 juli 2013 en van 13 augustus 2013 tot 16 augustus 2013 niet is waargenomen in de omgeving van het opgegeven adres, hebben ambtenaren van de gemeente Nijmegen in evenvermelde perioden door te kijken door de ramen vastgesteld dat de keuken en de woonkamer van de woning op dat adres leeg waren. Voorts wijzen de bij het huisbezoek op 22 augustus 2013 aangetroffen omstandigheden niet op de bewoning van appellante en haar drie minderjarige kinderen op het opgegeven adres. Tijdens dat huisbezoek is vastgesteld dat de woning leeg was. Er stonden geen meubels en, afgezien van één in plastic verpakt matras, waren er geen matrassen. In de keuken zijn geen beperkt houdbare levensmiddelen, zoals brood en beleg, aangetroffen en evenmin bestek, borden en kookgerei. In de koelkast zijn alleen wat frisdrank, versnaperingen en twee flessen sterke drank aangetroffen. Appellante heeft aangevoerd dat op de dag van het huisbezoek het meubilair uit de woonkamer was gehaald om de vloer te lakken. Dit verklaart evenwel niet dat de keuken en slaapkamers nagenoeg leeg waren en er geenszins op wezen dat appellante met haar drie kinderen al op het opgegeven adres woonden. Bovendien is in

juli 2013 waargenomen dat de woonkamer leeg was. Dat de woning nog niet gereed was en geschikt gemaakt werd voor bewoning, leidt niet tot het oordeel dat appellante daar, anders dan aangevoerd, ten tijde in geding feitelijk wel woonde.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit brengt mee dat het verzoek van appellante om veroordeling van het college tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2015.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) C.M. Fleuren

HD