Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
13-1389 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WGA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1389 WIA

Datum uitspraak: 23 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

5 februari 2013, 12/1949 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] e/v [naam B.] te [woonplaats] (appellante)

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J. Lewis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door J. Lewis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk voor 39,77 uur per week werkzaam geweest als helpdeskmedewerker. Na een auto-ongeval heeft zij zich met ingang van 5 september 2007 ziek gemeld met nek- en armklachten. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante op 11 januari 2010 onderzocht. Op basis van dit onderzoek en informatie van de appellante behandelende revalidatiearts en neuroloog heeft de verzekeringsarts de mogelijkheden en beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 januari 2010. Mede gelet op het feit dat voor appellante wegens verblijf in een kliniek ten tijde van de beoordelingsdatum een urenbeperking gold, heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 29 december 2009 vastgesteld op 52,5% en de verwachting uitgesproken dat deze in maart 2010 minder dan 35% zou bedragen.

1.2.

Bij besluit van 19 februari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 30 december 2009 tot 30 augustus 2010 recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 12 augustus 2010 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv van, onderscheidenlijk, 20 april 2010 en 7 augustus 2010. Naar aanleiding van een door appellante tegen het besluit van 12 augustus 2010 bij de rechtbank ingestelde beroepsprocedure heeft een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep op 11 januari 2011 de verzekeringsgeneeskundige bevindingen uit het rapport van 20 april 2010 onderschreven.

1.3.

Intussen had het Uwv appellante bij besluit van 4 augustus 2010 met ingang van

1 november 2010 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering. Tevens heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van het recht op uitkering met ingang van 30 augustus 2010, de einddatum van de aan appellante toegekende loongerelateerde WGA-uitkering. Hiertoe heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante op 3 september 2010 onderzocht en vastgesteld dat de in de FML van 14 januari 2010 vastgelegde beperkingen, met uitzondering van de hierin opgenomen urenbeperking, nog altijd van toepassing zijn. De door appellante te kennen gegeven toename van haar klachten en beperkingen wordt niet gestaafd door nieuwe medische feiten of bevindingen. Appellante is ook niet onder behandeling. Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 30 augustus 2010 moet worden vastgesteld op 11%.

1.4.

Gelet op deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 21 oktober 2010 vastgesteld dat appellante met ingang van 22 december 2010 geen recht op een WGA-uitkering meer heeft. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van

19 maart 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit berust op rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van, onderscheidenlijk,

8 februari 2012 en 14 februari 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de verzekeringsarts in diens rapport van 3 september 2010 onderschreven. Contact met de huisarts heeft uitgewezen dat er geen nieuwe bevindingen zijn. Wel is gebleken dat appellante sinds oktober 2011 een psychiater bezoekt, maar deze situatie staat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet ter discussie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank berust dit besluit op een zorgvuldige medische beoordeling. Niet is gebleken dat het Uwv relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante zou hebben gemist of op onjuiste wijze in de FML zou hebben vertaald. Uit de door appellante in beroep overgelegde gegevens van haar neuroloog heeft de rechtbank niet kunnen afleiden dat voor appellante op de datum in geding meer beperkingen zouden gelden. Het argument van appellante dat voor haar meer beperkingen moeten worden aangenomen, omdat het een gegeven zou zijn dat whiplash altijd de soort van klachten oplevert die appellante ervaart, heeft de rechtbank niet gevolgd, omdat op grond van de Wet WIA alleen arbeidsongeschiktheid die een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg is van ziekte of gebrek in aanmerking wordt genomen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust.

3. In hoger beroep heeft appellante - zakelijk weergegeven - herhaald dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Het onderzoek van het Uwv geeft blijk van een gebrek aan professionaliteit. Uit het door appellante bij de rechtbank ingediende verslag van het Diakonessenziekenhuis Zeist blijkt weliswaar dat appellante myogene klachten heeft en er bij haar geen neurologische beperkingen zijn gevonden, dit laat echter onverlet dat de praktijk leert dat whiplash kwetsuren zeer moeilijk objectief aantoonbaar zijn en wel degelijk bestaan. Door het uitblijven van een serieuze behandeling door het Uwv is appellante voorts in psychische nood gekomen, waardoor zij PTSS heeft gekregen, zoals door haar behandelend psychiater is vastgesteld

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

8 februari 2012 komt afdoende naar voren dat bij de opeenvolgende medische beoordelingen niet gebleken is dat het Uwv de belastbaarheid van appellante met de in de FML van

3 september 2010 neergelegde beperkingen heeft overschat. In de door appellante overgelegde rapporten van haar neuroloog heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel, omdat uit deze rapporten blijkt dat de klachten van appellante niet zijn te herleiden tot een neurologische aandoening. De door appellante aangevoerde psychische klachten leiden evenmin tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat appellante het ontstaan van deze klachten klaarblijkelijk wijt aan de door haar gewraakte behandeling door het Uwv, blijkt uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 februari 2012 dat appellante zich niet eerder dan in november 2011, dus ruim na de datum in geding, voor deze klachten onder behandeling heeft laten stellen. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd die erop duiden dat zij ook al psychische beperkingen had op de datum in geding.

4.2.

Met de rechtbank is de Raad ten slotte van oordeel dat de arbeidsdeskundigen van het Uwv genoegzaam hebben toegelicht dat de belasting van de bij de schatting betrokken functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

4.3.

Gelet op wat in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) B. Rikhof

JvC