Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
14-1771 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een elektrische rolstoel van het merk Permobil met een maximumsnelheid van 12 km/uur. Met de toegekende elektrische rolstoel en de andere verstrekte voorzieningen kan appellante zich zowel over de korte als de wat langere afstanden vervoeren. Voldaan aan de in artikel 4 van de Wmo opgenomen compensatieplicht. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1771 WMO

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

20 februari 2014, 13/2963 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2015. Appelante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. N.M.H.A. van Hirtum.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een handbewogen rolstoel en een elektrische rolstoel toegekend. Voorts is appellante tot 1 november 2012 in aanmerking gebracht voor het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer en is haar met ingang van 1 augustus 2012 een financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi toegekend. Deze financiële tegemoetkoming is bij besluit van

28 maart 2014 verhoogd naar € 5.139,72 per twaalf maanden.

1.2.

Op 5 januari 2012 heeft appellante het college verzocht om vervanging van de elektrische rolstoel, omdat deze niet meer adequaat is.

1.3.

Bij besluit van 20 augustus 2012 heeft het college aan appellante een elektrische rolstoel van het merk Permobil, type M400, met een maximumsnelheid van 10 km/uur, toegekend.

1.4.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Aangevoerd is dat appellante in aanmerking dient te komen voor een Permobil met een maximumsnelheid van 12 km/uur. Alleen met deze snelheid is zij in staat veilig straten over te oversteken en met haar vriendinnen mee te rijden en kan zij de door haar gewenste activiteiten doen.

1.5.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar.

1.6.

Bij besluit van 10 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Volgens het college is appellante met de toegekende elektrische rolstoel, in combinatie met de overige verstrekte voorzieningen, voldoende gecompenseerd in haar beperkingen. Een Permobil met een maximumsnelheid van 12 km/uur is volgens het college geen adequate voorziening voor appellante, omdat bij deze snelheid de wielen gaan zwabberen. Dit gaat ten koste van het rijcomfort en zal tot meer pijnklachten bij appellante leiden. Appellante kan zich met de combinatie van toegekende voorzieningen zodanig verplaatsen dat zij in staat is haar sociale contacten te onderhouden. Het door appellante genoemde probleem bij het oversteken wordt met een elektrische rolstoel met hogere snelheid niet opgelost. Appellante zou tussen de rijstroken van grotere wegen kunnen wachten.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar mede gericht geacht tegen het bestreden besluit en het beroep daartegen ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank kwalificeert de toegekende elektrische rolstoel zich als compensatie van de beperkingen van eiseres op het gebied van zelfredzaamheid en participatie.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4 van de Wmo verplicht het college aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college gericht moet zijn.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij met de toegekende elektrische rolstoel onvoldoende gecompenseerd is en dat zij in aanmerking dient te worden gebracht voor een Permobil met een maximumsnelheid van 12 km/uur. Appellante heeft erop gewezen dat een scootmobiel voor haar ongeschikt is en dat zij in plaats daarvan voor het zich lokaal verplaatsen is aangewezen op een elektrische rolstoel. Voor haar is het essentieel dat zij de natuur in kan. Het is onverantwoord om dat alleen te doen. Haar vriendinnen kunnen niet met haar meefietsen met een Permobil met een maximumsnelheid van 10 km/uur. Ook kan zij met de verstrekte elektrische rolstoel haar familieleden, die op twee tot drie kilometer afstand wonen, niet bezoeken en is de rolstoeltaxi hiervoor ongeschikt.

4.3.

Met de toegekende elektrische rolstoel en de andere op grond van de Wmo verstrekte voorzieningen kan appellante zich zowel over de korte als de wat langere afstanden vervoeren. Niet valt in te zien dat appellante met deze combinatie van voorzieningen niet de natuur in zou kunnen of dat zij op deze wijze haar contacten met haar vriendinnen en familie in de regio niet zou kunnen onderhouden. Appellante heeft weliswaar gesteld dat het niet verantwoord is om alleen de natuur in te gaan, maar niet is onderbouwd waarom een Permobil met een maximumsnelheid van 12 km/uur dat anders zou maken. Nog daargelaten de vraag waarom appellante met de toegekende elektrische rolstoel haar familieleden, die wonen op een afstand van twee tot drie kilometer, niet zou kunnen bezoeken, geldt dat zij voor deze bezoeken ook gebruik zou kunnen maken van de rolstoeltaxi. Appellante heeft haar stelling dat het gebruik van de rolstoeltaxi voor deze bezoeken niet mogelijk is, omdat ze dan te lang onderweg zou zijn, niet nader onderbouwd.

4.4.

Appellante heeft verder aangevoerd dat de toegekende elektrische rolstoel een te lage maximumsnelheid heeft om in het verkeer veilig de weg over te kunnen steken. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid overwogen dat appellante deze grond onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien zullen de door appellante geschetste problemen bij het oversteken niet worden ondervangen door een elektrische rolstoel met een hogere maximumsnelheid. De Raad volgt hierbij het standpunt van het college dat deze snelheid bij het oversteken niet veilig bereikt zal kunnen worden.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het college met de toegekende elektrische rolstoel - en rekening houdend met de andere op grond van de Wmo verstrekte voorzieningen - heeft voldaan aan de in artikel 4 van de Wmo opgenomen compensatieplicht.

4.6.

Van een bijzonder geval op grond waarvan het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule is geen sprake. De stelling van appellante dat het college de verwachting heeft gewekt dat aan haar een Permobil met een maximumsnelheid van 12 km/uur zou worden verstrekt slaagt niet. Uit de omstandigheid dat appellante bij het onderzoek naar een geschikte elektrische rolstoel een Permobil met een maximumsnelheid van 12 km/uur heeft geprobeerd en deze op proef heeft gehad, kan geen ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging van de kant van het college worden afgeleid.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) V. van Rij

HD