Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
13-5805 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Gelet op de beschikbare medische gegevens is geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5805 ZW

Datum uitspraak: 28 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 september 2013, 13/441 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2015. Namens appellante is verschenen van mr. A.C.S. Grégoire, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is werkzaam geweest als hulpmedewerkster verpakkingen in WSW-verband voor 30 uur per week. Op 18 maart 2011 is zij wegens ziekte uitgevallen voor deze werkzaamheden. Appellante heeft een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Met ingang van 31 maart 2011 is de arbeidsovereenkomst tussen appellante en haar werkgever [werkgever] gewijzigd naar 16 uur per week. Met ingang van 26 april 2011 heeft appellante haar werk hervat voor 8 uur per week. Laatstelijk op 19 november 2012 heeft appellante het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 20 november 2012 geschikt is voor haar werk. Bij besluit van
19 november 2012 heeft het Uwv dienovereenkomstig vastgesteld dat appellante met ingang van 20 november 2012 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 22 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft haar standpunt in hoger beroep herhaald dat zij ten onrechte hersteld is verklaard voor haar werk. Appellante lijdt aan fibromyalgie en psychische klachten, waarvoor zij wordt behandeld. Ten onrechte heeft de rechtbank de nadruk gelegd op door appellante subjectief ervaren klachten, terwijl appellante haar standpunt heeft onderbouwd met medische stukken. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten van appellante zoals zwellingen aan haar handen niet kon verklaren, betekent niet dat sprake is van enkel subjectieve klachten. Ook niet-verklaarbare klachten kunnen leiden tot beperkingen met een recht op ziekengeld omdat het gaat om een plausibel klachtenpatroon. Voorts is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan de grond dat het Uwv de behandelend psychiater niet heeft gerappelleerd toen deze geen informatie verstrekte. Appellante heeft het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van psychische beperkingen voldoende aannemelijk bestreden. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij niet in staat is haar arbeid te verrichten, heeft appellante een brief van 29 oktober 2013 van haar werkgever overgelegd, waarin het standpunt van een arboverpleegkundige is vervat, alsmede een brief van 26 juni 2015 van haar huisarts.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. In artikel 19, vijfde lid, van de ZW is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. Aan het werk van appellante waren echter geen bijzondere, verzwarende, aspecten verbonden, die gelet op voormelde bepaling hier buiten beschouwing zouden moeten blijven.

4.2.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat het dossier is bestudeerd, dat appellante op het spreekuur is gezien, dat de informatie uit de behandelend sector bij de beoordeling van haar belastbaarheid is meegewogen en dat daarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd.

4.3.

Uit het rapport van 19 november 2012 van de verzekeringsarts blijkt dat appellante spontaan beter beweegt dan bij gericht lichamelijk onderzoek. Er is volgens de verzekeringsarts sprake van een discrepantie tussen de geclaimde klachten en te objectiveren klachten en beperkingen. Het werk van appellante betreft geen zwaar fysiek werk. Een urenreductie kan niet worden beargumenteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich, gelet op ontvangen informatie van de behandelend sector alsmede zijn medische bevindingen bij aanvullend onderzoek van appellante op 3 december 2012 achter de conclusie van de verzekeringsarts geschaard. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat appellante ook bij zijn onderzoek forse beperkingen toont die niet duidelijk consistent zijn met de feitelijke observatie. Voor het bestaan van osteoporose, dat doorgaans klachtenvrij verloopt, gelden geen evidente beperkingen anders dan het vermijden van zwaar risicovol fysiek werk. Fibromyalgie gaat gepaard met spier- en gewrichtsklachten zonder objectiveerbare afwijkingen. In de regel wordt een normaal bewegingspatroon geïndiceerd geacht zonder zware fysieke piekbelasting. Er bestaat voorts een rustig verlopende Ziekte van Sjögren die symptomatisch behandeld wordt. Bij onderzoek trof de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten slotte geen relevante beperkende psychopathologie aan. Desondanks is informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater die, ondanks rappel, niet is ontvangen. Appellante heeft zelf geen informatie van haar psychiater overgelegd en heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van deze informatie niet heeft kunnen leiden tot een zorgvuldig oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over haar klachten en beperkingen. Daarbij acht de Raad van belang dat uit de informatie van huisarts en arboverpleegkundige evenmin blijkt van ernstige psychopathologie op de datum in geding. Er zijn dus geen aanknopingspunten om aan dit oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen, waarbij het standpunt van het Uwv, dat de informatie van de kundige arboverpleegkundige niet ziet op de datum in geding, wordt gevolgd.

4.4.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat het werk van appellante het door haar laatstelijk voor 18 maart 2011 verrichte werk van hulpmedewerker verpakkingen gedurende 30 uur per week betreft. De Raad stelt vast dat dit werk blijkens de rapporten van de verzekeringsarts van 19 november 2012 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
14 januari 2013, alsmede aanvullende informatie van de arbeidsdeskundige in het rapport van 22 augustus 2011, overwegend zittend werk betreft zonder zware fysieke belasting en dat in eigen tempo uitgevoerd kan worden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de functie van hulpmedewerker verpakkingen daarmee geschikt te achten nu daarin geen belastingen voorkomen die in strijd zijn met de aangenomen beperkingen. Er bestaat gelet op de beschikbare medische gegevens geen aanleiding voor twijfel aan dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Betreffende het hand- en vingergebruik is de Raad, gelet op de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, niet gebleken dat de belasting in deze functie de belastbaarheid van appellante te boven gaat.

4.5.

Hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 leidt tot de conclusie dat de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2015.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K. de Jong

NK