Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2951

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
13-4548 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering WIA-uitkering. Geen noodzaak om aanvullend een urenbeperking op te nemen. 2) Weigering AAW-uitkering. De beschikbare medische gegevens bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er vanaf zijn 17e jaar geen periode aanwijsbaar zou zijn dat appellant ten minste 75% van het minimumloon heeft kunnen verdienen. Gelet op het oordeel over zijn WIA-aanspraken staat vast dat appellant in ieder geval vanaf 2006 in staat wordt geacht passend werk te doen met een verdienvermogen van ten minste 75% van het minimumloon en dat zijn beperkingen zoals deze in 2011 zijn vastgesteld niet tot een andere conclusie leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4548 WWAJ, 13/4549 WIA

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van

9 juli 2013, 12/561 en 12/562 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen beide aangevallen uitspraken. In de loop van de procedures heeft mr. A.C.A. Dennissen-Wit, kantoorgenoot, de zaak overgenomen van mr. Frissart-Kallenbach.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

De Raad heeft het Uwv om nadere informatie gevraagd.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 22 april 2015. Namens appellant is mr. Dennissen-Wit verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1971, is in 1998 uitgevallen uit zijn werk als administratief medewerker. De aan hem toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is met ingang van 1 juni 2002 ingetrokken op de grond dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

1.2.

Hernieuwde uitval wegens vermoeidheids- en gewrichtsklachten in 2004 heeft niet tot heropening van de WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid geleid. Verder is naar aanleiding van die uitval bij besluit van 1 november 2006 vastgesteld dat appellant met ingang van 27 november 2006 geen recht heeft op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij met arbeid meer kan verdienen dan 65% van het loon dat hij verdiende voor hij ziek werd.

1.3.

Het bij brief van 13 januari 2010 door appellant gedane verzoek om terug te komen van de intrekking van zijn WAO-uitkering omdat inmiddels het syndroom van Asperger bij hem is vastgesteld, is bij besluit van 14 april 2011 afgewezen.

1.4.

Het door appellant op 25 mei 2011 gedane verzoek om het WIA-besluit van 1 november 2006 te herzien is bij besluit van 15 juni 2011 eveneens afgewezen. Het tegen deze afwijzing gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 december 2011 (bestreden WIA-besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat weliswaar sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden maar dat deze niet leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

1.5.

Op 25 mei 2011 heeft appellant tevens een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Bij besluit van 7 juli 2011 is die aanvraag afgewezen op de grond dat appellant in staat is meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. Bij besluit van 27 december 2011 (bestreden Wajong-besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juli 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden WIA- en Wajong-besluiten ongegrond verklaard.

2.1.

Met betrekking tot het bestreden WIA-besluit heeft de rechtbank, toetsend of het Uwv in de nieuw gebleken feiten aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien, overwogen dat op basis van de nieuwe medische gegevens weliswaar meer beperkingen voor appellant gelden in het persoonlijk en sociaal functioneren, maar dat hij daarmee volgens het Uwv passend werk kan verrichten. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep S. Gommers van het Uwv, die ook heeft gereageerd op de opvattingen van medisch adviseur revalidatiearts W.C.G. Blanken en op de brief van psychiater C.C. Kan van 7 september 2009, voldoende duidelijk uiteengezet hoe deze tot de vastgestelde beperkingen is gekomen en dat er geen aanleiding is meer beperkingen aan te nemen of tot een urenbeperking te komen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep B. Altema, die specifiek op de functies gerichte informatie heeft ingewonnen bij arbeidsdeskundig analisten, voldoende heeft onderbouwd dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

2.2.

Met betrekking tot het bestreden Wajong-besluit heeft de rechtbank, met verwijzing naar de beoordeling over de WIA-aanspraken van appellant, geoordeeld dat, nu het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op 8 december 2006 (lees: 27 november 2006) in staat was ten minste 75% van het maatmaninkomen te verdienen, niet gezegd kan worden dat appellant arbeidsongeschikt is gebleven in de zin van de Wet Wajong.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich ter zitting in beide zaken op het standpunt gesteld dat het Uwv er ten onrechte vanuit gaat dat vanwege de vermoeidheidsklachten van appellant, voortvloeiend uit zijn aandoening, geen urenbeperking nodig is. Volgens appellant is hij niet in staat in een volledige omvang werk te verrichten. Daarbij heeft hij erop gewezen nooit een dienstverband van een volledige werkweek te hebben gehad en heeft hij verder opnieuw verwezen naar de opvattingen van medisch adviseur Blanken en psychiater Kan.

3.2.

Het Uwv heeft met verwijzing naar de verschillende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat zodanige arbeidsbeperkingen zijn gesteld dat er geen noodzaak is ook een urenbeperking op te leggen. Als reactie op de door de Raad gevraagde informatie heeft het Uwv gesteld dat, gelet op de leeftijd van appellant, de bepalingen uit de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) op appellant van toepassing kunnen zijn gebleven, maar dat dit niet tot aanspraken van appellant kan leiden, gelet op zijn verdienvermogen. Verder heeft het Uwv gesteld dat het bestreden Wajong-besluit is gebaseerd op een arbeidskundig onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van dezelfde verzekeringsgeneeskundige gegevens als die ten behoeve van het bestreden WIA-besluit zijn gebruikt. Het Uwv heeft bevestiging van de beide aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

met betrekking tot de WIA-aanspraken

4.1.De Raad verenigt zich met de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop die uitspraak is gebaseerd. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de uitkomst van de heroverweging door het Uwv die ertoe geleid heeft dat het bij appellant vastgestelde syndroom van Asperger als nieuw gebleken feit in aanmerking is genomen, door de bestuursrechter slechts beperkt kan worden getoetst, zoals in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Eveneens met juistheid heeft de rechtbank in de informatie van de medisch adviseur Blanken en psychiater Kan geen aanleiding gezien om de opvatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen urenbeperking nodig is, niet te volgen. Met betrekking tot de informatie van psychiater Kan kan ook de Raad niet inzien dat uit de vermelding in het rapport van 7 september 2009, dat appellant altijd een extra investering zal moeten blijven doen bij complexe, nieuwe taken of sociale interacties en dat het voor een goede verdeling van de energie belangrijk is voor appellant om bewuste keuzes te maken ten aanzien van zijn sociale activiteiten, een noodzakelijke urenbeperking voortvloeit. Met betrekking tot de informatie van medisch adviseur Blanken stelt de Raad vast dat deze in zijn brief van 23 november 2012 de noodzaak voor een urenbeperking als preventieve indicatie bepleit. Evenals de rechtbank acht de Raad de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 december 2012 overtuigend, dat met de diverse gestelde kwalitatieve beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), die bij het duiden van arbeid in aanmerking moeten worden genomen, er geen noodzaak is om aanvullend een urenbeperking op te nemen, omdat in passend werk er geen verhoogd risico op overbelastingsklachten of noodzaak voor meer rust en hersteltijd is. Dat appellant naar hij stelt in het verleden werk gedurende een volledige werkweek niet heeft kunnen volhouden, is geen reden om anders te oordelen aangezien appellant al in 2006 voor het door hem destijds verrichte werk ongeschikt is geacht en die arbeid dus geen indicatie vormt voor zijn belastbaarheid voor ander werk gedurende een hele werkweek. Het hoger beroep met betrekking tot het bestreden

WIA-besluit slaagt niet.

met betrekking tot Wajong-aanspraken

4.2.1.

In zijn uitspraak van 8 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1111) heeft de Raad geoordeeld dat aanvragen om toekenning van een uitkering op grond van de Wet Wajong die zijn ingediend na 1 januari 2010 door personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, wat betreft het toepasselijke recht moeten worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de destijds geldende AAW.

4.2.2.

In zijn uitspraak van 6 maart 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA0905) heeft de Raad overwogen dat het in de AAW en de - met betrekking tot jonggehandicapten - daarvoor vanaf 1998 in de plaats gekomen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, inhoudelijk gezien, om nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat. De Raad voegt daaraan toe dat, voor zover hier van belang, ook met de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Wet Wajong het arbeidsongeschiktheidsbegrip niet is gewijzigd.

4.2.3.

In artikel 25, tweede lid, van de AAW (oud) is geregeld dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar vóór de dag, waarop de aanvraag werd ingediend, behoudens bijzondere gevallen. De Raad heeft vaker geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX1581) dat bij laattijdige aanvragen, behoudens de situatie dat sprake is van een bijzonder geval, - in eerste instantie - als de te beoordelen datum kan worden aangehouden de datum, gelegen een jaar voor de datum van de aanvraag van de uitkering en dat daarmee vervolgens kan worden volstaan in de situatie dat de beoordeling op die datum uitwijst dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% was. Verder onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid op het 17e of 18e jaar kan dan achterwege blijven.

4.2.4.

Verder is van belang dat van aanspraak op uitkering vanaf een jaar voor de datum van aanvraag slechts sprake zou kunnen zijn wanneer appellant gedurende de periode daarvoor vanaf zijn 17e jaar arbeidsongeschikt zou zijn gebleven, ofwel eventuele perioden van arbeidsongeschiktheid elkaar zouden hebben opgevolgd met een onderbreking van minder dan vier weken, ofwel een eventuele periode van arbeidsgeschiktheid minder dan vijf jaar zou hebben geduurd, in welk laatste geval de zogenoemde Amberbepaling in beeld zou kunnen komen.

4.3.1.

Het voorgaande betekent allereerst dat, nu appellant in 1971 is geboren, beoordeeld moet worden of hij aan de AAW (oud) aanspraken kan ontlenen. De Raad zal met het oog hierop en gelet op 4.2.2 het bestreden besluit lezen als een weigering om Wajong-uitkering met toepassing van het bepaalde in de met ingang van 1 januari 1998 ingetrokken AAW.

4.3.2.

In wat ter zitting is gemeld, zijn geen aanknopingspunten gelegen om in de situatie van appellant een bijzonder geval aan te nemen ter verontschuldiging van zijn late aanvraag, zodat een uitkering niet eerder kan ingaan dan 25 mei 2010.

4.3.3.

De in dit geding beschikbare medische gegevens bieden voorts geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een van de situaties van 4.2.4 zich heeft voorgedaan, dat wil zeggen dat er vanaf zijn 17e jaar geen periode aanwijsbaar zou zijn dat appellant ten minste 75% van het minimumloon heeft kunnen verdienen. Gelet op het oordeel over zijn WIA-aanspraken staat vast dat appellant in ieder geval vanaf 2006 in staat wordt geacht passend werk te doen met een verdienvermogen van ten minste 75% van het minimumloon en dat zijn beperkingen zoals deze in 2011 zijn vastgesteld niet tot een andere conclusie leiden.

4.4.

De Raad stelt vast dat het Uwv in dit geval verzuimd heeft een afzonderlijke medische beoordeling te verrichten met betrekking tot de Wajong-aanspraken. Ter zitting heeft het Uwv er terecht op gewezen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met inachtneming van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling inzake de WIA-aanspraken de Wajong-aanspraken van appellant heeft beoordeeld. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben in 2011 en 2012 in verschillende rapporten uitvoerig gerapporteerd over de beperkingen van appellant, met inachtneming van de na 2006 bekend geworden diagnose. Ook zijn de bezwaarschriften gevoegd op een hoorzitting behandeld, in aanwezigheid van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Nu de medische beoordelingen ook betekenis hebben voor en betrokken zijn bij de Wajong-beoordeling en ook voor die beoordeling als een voldoende actueel medisch onderzoek kan worden aangemerkt ziet de Raad onvoldoende aanleiding om aan genoemd verzuim in dit geval gevolgen te verbinden.

4.5.

Conclusie van het voorgaande moet zijn dat ook het hoger beroep tegen het bestreden Wajong-besluit niet slaagt.

5. Nu het hoger beroep in geen van beide zaken slaagt is er geen plaats voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente, zoals in beide zaken is verzocht. Er is evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Fotchind

UM