Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
13/5888 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5888 ZW

Datum uitspraak: 21 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 september 2013, 12/10329 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2015. Namens appellant is verschenen mr. L. Kuijper, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk voor 40 uur per week werkzaam geweest als ijzervlechter. Op

27 juni 2011 is appellant wegens psychische klachten en letsel uitgevallen voor zijn werk. Appellant heeft een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2012 vastgesteld dat appellant met ingang van 5 maart 2012 geen recht meer heeft op een

ZW-uitkering, omdat hij geschikt werd geacht voor het eigen werk. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 23 maart 2012 ongegrond verklaard.

1.2.

Appellant heeft zich op 12 juli 2012 vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld met psychische klachten. Appellant is in dat verband op 30 juli 2012 op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest. Deze arts heeft na onderzoek vastgesteld dat sprake is van posttraumatische stressstoornis (PTSS). Voorts heeft zij geconcludeerd dat appellant met de daaruit voortvloeiende beperkingen ongewijzigd geschikt te achten is voor zijn eigen werk. Bij besluit van 30 juli 2012 heeft het Uwv dienovereenkomstig vastgesteld dat appellant met ingang van 12 juli 2012 geen recht heeft op een uitkering ingevolgde de ZW. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 19 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie dat appellant per 12 juli 2012 niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Naar het oordeel van de rechtbank werpt de door appellant overgelegde informatie van zijn behandelaars geen nieuw licht op de zaak en blijkt daaruit evenmin van een medisch geobjectiveerde reden om appellant op de datum in geding meer beperkt te achten dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Het Uwv heeft dan ook terecht geweigerd appellant met ingang van 12 juli 2012 een ZW-uitkering toe te kennen.

3.1.

In hoger beroep herhaalt appellant zijn stelling dat hij per 12 juli 2012 volledig ongeschikt voor de functie van ijzervlechter dient te worden geacht. Als gevolg van appellants psychische klachten gaat deze functie zijn belastbaarheid te boven. Daarbij is het onderzoek door de verzekeringsartsen onvoldoende zorgvuldig geweest, omdat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de door appellant naar voren gebrachte (psychische) klachten en de bevindingen van zijn behandelaars onvoldoende zijn meegenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van 24 april 2013 van zijn behandelend psychologen van NOAGG overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is, onder andere, bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek, waarbij uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat de informatie uit de behandelend sector bij de beoordeling van appellants belastbaarheid is meegewogen, waarover op inzichtelijk wijze is gerapporteerd.

4.3.

Uit het rapport van de verzekeringsarts van 31 juli 2012 blijkt dat de psychische klachten als gevolg van PTSS onveranderd zijn en dat bij onderzoek van appellant door de verzekeringsarts geen bijzonderheden werden geconstateerd. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat bij appellant geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid ten opzichte van de eerdere hersteld melding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich, gelet op zijn medische bevindingen bij aanvullend onderzoek van appellant op 25 september 2012, achter de conclusie van de verzekeringsarts geschaard. In zijn nadere rapport van

18 februari 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in reactie op het verzoek van de rechtbank, vermeld dat appellants medicatiegebruik geen negatieve invloed heeft op zijn rijvaardigheid. Ook uit de namens appellant nader ingezonden informatie van zijn behandelaars van NOAGG blijken geen beschreven bijwerkingen bij appellants medicatiegebruik, gelet op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 juli 2013.

4.4.

De Raad stelt vast dat het werk als ijzervlechter blijkens de rapporten van de verzekeringsartsen en appellants toelichting ter zitting van de rechtbank fysiek zwaar werk betreft, waarbij veel dient te worden gelopen, gestaan, gebukt, getild en gedragen. Voorts dient men op hoogte te werken en vroeg op te staan. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de functie ijzervlechter daarmee geschikt te achten nu daarin geen belastingen voorkomen die in strijd zijn met de aangenomen psychische beperkingen. Er bestaat gelet op de beschikbare medische gegevens geen aanleiding voor twijfel aan dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.5.

Hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 leidt tot de conclusie dat de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) S. Aaliouli

NK