Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
14-13 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/13 WIA

Datum uitspraak: 17 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

11 november 2013, 13/3692 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 15 juli 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van

31 augustus 2011 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 10 juni 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft als haar oordeel gegeven dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat met de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 juni 2013 vastgestelde beperkingen voor het verrichten van arbeid de belastbaarheid van appellant niet is onderschat. Appellant heeft geen nieuwe medische gegevens overgelegd en de reeds bekende medische gegevens zijn in het onderzoek meegenomen en beoordeeld. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de FML geen juiste weergave vormt van de arbeidsmogelijkheden en beperkingen van appellant op de datum 31 augustus 2011. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde beperkingen ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om de aan hem geduide voorbeeldfuncties voor hem te zwaar te achten.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte van uit gaat dat het oordeel van de verzekeringsarts op juiste wijze tot stand is gekomen. Omdat de procedure wegens een eerdere niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar meer dan een jaar heeft geduurd had de verzekeringsarts appellant in de bezwaarfase nogmaals moeten onderzoeken. Nu is ten onrechte niet geconstateerd dat de gezondheid van appellant in toenemende mate was verslechterd.

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1.

De stelling dat het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv niet op juiste wijze tot stand is gekomen nu - mede gelet op de termijn gelegen tussen het primaire besluit van 15 juli 2011 en het bestreden besluit - die verzekeringsarts ten onrechte appellant niet zelf heeft onderzocht slaagt niet. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (zie onder meer zijn uitspraak van 8 oktober 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR5292) betekent de enkele omstandigheid dat onderzoek in de bezwaarfase achterwege is gebleven niet dat reeds om die reden de besluitvorming onzorgvuldig moet worden geacht.

Blijkens zijn rapport van 6 juni 2013 had de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beschikking over de zich in het dossier bevindende medische gedingstukken die zien op de periode voorafgaande aan de datum in geding. Met name in de zich onder die gedingstukken bevindende uitgebreide informatie van de curatieve sector heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep - gegeven de psychische klachten van appellant - aanleiding gezien in de FML verdergaande beperkingen voor het verrichten van arbeid op te nemen, onder meer op het gebied van samenwerken en het directe contact met derden. Het in hoger beroep ingenomen standpunt van appellant dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij eigen onderzoek van appellant had kunnen constateren dat zijn gezondheid in toenemende mate was verslechterd, leidt niet tot het door appellant gewenste doel omdat het in dit geding gaat om de beperkingen van appellant op 31 augustus 2011. Een eventueel nadien opgetreden verslechtering van de gezondheid van appellant mist in dit kader dan ook relevantie voor de situatie op die hier in geding zijnde datum. Van belang daarbij is nog dat in ieder geval een tweetal bij de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikbare rapporten van de behandelend sector van 10 januari een 11 juni 2011 zien op de psychische gezondheidssituatie van appellant in het jaar 2011. Voorts is appellant onderzocht door de verzekeringsarts op

25 mei 2011 en heeft appellant geen gegevens afkomstig van de behandelend sector overgelegd die aannemelijk maken dat de gezondheidssituatie van appellant reeds in de periode na dit onderzoek tot aan de datum in geding was verslechterd. Hetgeen appellant verder in hoger beroep - overigens niet medisch onderbouwd - heeft aangevoerd geeft de Raad ook geen aanleiding aan de juistheid van de conclusie van de verkeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.

5.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 6 juni 2013 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant medisch gezien in staat moet worden geacht de eerder door de arbeidsdeskundige geselecteerde - en door de arbeidskundige bezwaar en beroep gehandhaafde - voorbeeldfuncties te vervullen. De arbeidsdeskundigen van het Uwv hebben daarbij - op bepaalde punten na overleg met de verzekeringsartsen - inzichtelijk en toereikend gemotiveerd waarom de in het formulier “Resultaat Functiebeoordeling” opgenomen signaleringen daaraan niet in de weg staan.

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2015.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) N. van Rooijen

JL