Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2945

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
14/690 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De voor appellante uiteindelijk geselecteerde functies zijn in medisch opzicht passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/690 WIA

Datum uitspraak: 7 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

20 december 2013, 13/2190 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.H.M.M. Kusters, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 26 juni 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 17 januari 2011 wegens burn-out klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden van juridisch secretaresse voor 31 uur per week.

1.2.

Bij besluit van 20 november 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 14 januari 2013 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was.

1.3.

Naar aanleiding van haar bezwaar tegen dit besluit is appellante onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts bezwaar en beroep die inlichtingen heeft ingewonnen bij haar behandelend psycholoog en huisarts. In zijn rapport van 14 maart 2013 vermeldt hij dat er geen fysieke stoornissen zijn waaruit haar lichamelijke klachten kunnen worden verklaard. Haar moeheid wordt volledig bepaald door psychosociale factoren. Omdat er reden is om meer beperkingen aan te nemen in de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren heeft hij de door de primaire verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. Voor een urenbeperking ziet hij geen noodzaak. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 15 maart 2013 enkele eerder geselecteerde voorbeeldfuncties laten vervallen en in plaats daarvan andere functies geselecteerd. Dit heeft niet geleid tot vaststelling van een mate van arbeidsongeschiktheid die hoger is dan 35%.

1.4.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 november 2012 is bij besluit van

18 maart 2013 (bestreden besluit) onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Zij is meer beperkt voor het vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht, omgaan met conflicten en het aantal uren dat zij kan werken. Zij meent door haar beperkingen in het geheel niet in staat te zijn tot werken. De behandelend psycholoog heeft te kennen gegeven dat sprake is van een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis met een GAF-score van 48. Deze score wijst op ernstige beperkingen. Daarbij is ten onrechte niet getoetst aan de geldende verzekeringsgeneeskundige protocollen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij verwezen naar rapporten van medisch adviseur A. Ozyürt van 28 maart 2013 en 1 oktober 2013 en een rapport van psychiater H.N. Sno van 23 april 2014. Sno concludeert in zijn rapport op basis van de door hem verrichte psychiatrische expertise dat appellante een somatisatiestoornis en een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis heeft en meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn aangenomen. Hij ziet ook aanleiding voor een urenbeperking omdat er op het indicatiegebied “energetisch” sprake is van multipele somatoforme klachten in het kader van een somatisatiestoornis, die gepaard gaan met chronische vermoeidheid, een verminderde interesse, lusteloosheid, energiegebrek, spierzwakte en concentratieproblemen. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de functie van secretaresse te belastend is omdat zij zich niet hele dagen kan concentreren op administratief werk, hetgeen ook geldt voor de functies van administratief medewerker (beginnend) en die van administratie medewerker afhandelingen, welke functie ook al niet geschikt is omdat ze hiervoor gedurende 40 weken één dag per week cursus moet volgen. Daarbij is de functie van telefonist, receptionist volgens haar te belastend wegens de deadlines en productiepieken die kunnen voorkomen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In reactie op het rapport van psychiater Sno heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

19 juli 2014 erop gewezen dat hij ten tijde van zijn eigen onderzoek geen stoornissen in de cognitieve functies heeft vastgesteld en dat er daarom voor een beperking op de onderdelen I.1 (vasthouden van de aandacht) en I.2 (verdelen van de aandacht) geen reden is. Een urenbeperking wegens energetische redenen is volgens deze verzekeringsarts ook niet noodzakelijk omdat de klachten van appellante te verklaren zijn uit haar

obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Daarbij is ook verwezen naar het rapport van deze verzekeringsarts van 14 maart 2013.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

De hoger beroepsgronden vormen voornamelijk een herhaling van de gronden die appellante in eerste aanleg heeft aangevoerd. Die gronden heeft de rechtbank terecht verworpen.

4.2.

Voor zover die gronden betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van deze besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 maart 2013 waaruit blijkt dat appellante lichamelijk en psychisch is onderzocht door die verzekeringsarts. Het rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaargronden van appellante, die verband houden met zowel haar fysieke als psychische gezondheidstoestand. Appellante beschikt over verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Zij wordt echter in staat geacht om arbeid te verrichten waarin rekening wordt gehouden met haar beperkingen. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangescherpte FML zijn in de rubrieken 1 en 2 die betrekking hebben op appellantes persoonlijk en sociaal functioneren meerdere beperkingen opgenomen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen. Onderschreven wordt voorts wat deze arts in het in de beroepsfase ingebrachte rapport van 11 juni 2013 heeft opgemerkt over de ondersteunende rol van verzekeringsgeneeskundige protocollen bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en in hoger beroep op 19 juli 2014 over zijn bevindingen bij zijn eigen onderzoek ten aanzien van het cognitief functioneren van appellante. Appellante wordt ook niet gevolgd in hetgeen zij heeft aangevoerd over het belang van de GAF-score. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1032) is het GAF-systeem bedoeld om in het kader van een behandeling enig handvat te geven voor een beoordeling van het beloop daarvan; het is niet bedoeld om daarmee beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren vast te leggen, dan wel om de arbeidsongeschiktheid te beoordelen.

4.3.

Tegenover het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert heeft appellante geen zodanig onderbouwd medisch oordeel gesteld dat twijfel ontstaat aan de juistheid van eerst bedoeld oordeel. In het in 3.1 vermelde rapport van psychiater Sno is dezelfde diagnose gesteld als waar de behandelend psycholoog vanuit is gegaan en die het Uwv in zijn beoordeling heeft betrokken. Sno heeft in zijn rapport vastgesteld dat er sprake is van een beperking wat betreft het ‘vasthouden van de aandacht’. Hij vermeldt in zijn rapport bij de cognitieve functies ten aanzien van de aandachtsconcentratie: “tenaciteit intact, anamnestisch verminderd”, een onderbouwing voor deze beperking ontbreekt verder. De urenbeperking die volgens hem nodig is, is gebaseerd op appellantes multipele somatoforme klachten terwijl appellante ten tijde van de onderzoeken bij de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen melding heeft gemaakt van somatoforme klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn in reactie op het rapport van Sno opgestelde rapport van 19 juli 2014 te kennen gegeven dat er geen sprake is van te objectiveren lichamelijke afwijkingen en dat appellantes klachten zijn te begrijpen uit de obsessief compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Daarvoor is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om een beperking aan het aantal te werken uren te stellen. Er worden geen aanknopingspunten voor twijfel aan dit standpunt gezien.

4.4.

Hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 betekent dat er geen aanleiding is om in hoger beroep een medisch deskundige te benoemen.

4.4.

Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de voor appellante uiteindelijk geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van 29 oktober 2013 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. In dat rapport is inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellante werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies waarin de belasting in overeenstemming is met haar verzekeringsgeneeskundig vastgestelde mogelijkheden en beperkingen.

4.5.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Hieruit volgt dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2015.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) N. van Rooijen

GdJ