Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
14/506 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De beschikbare gedingstukken geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen over de belastbaarheid van appellante. Geschiktheid voor de geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/506 WAO

Datum uitspraak: 28 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 december 2013, 13/1730 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Boers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2015. Namens appellante is

mr. Boers verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Knigge.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als productiemedewerker toen zij op 2 september 1997 uitviel voor dit werk met zwangerschapsklachten. Nadien zijn daar psychische klachten bijgekomen. Appellante is met ingang van 1 september 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk met ingang van

17 maart 2008 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat er enige beperkingen voor het verrichten van arbeid in de psychische belastbaarheid van appellante zijn als gevolg van ziekte of gebrek. De verzekeringsarts heeft deze beperkingen neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 september 2012. Vervolgens heeft psychiater P.H.J. Notten op verzoek van het Uwv op 15 januari 2013 een expertise uitgebracht. Daarin is onder meer geconcludeerd dat er volgens de DSM-IV classificatie sprake is van een dysthyme stoornis en dat er geen persoonlijkheidsstoornis is. Notten kan zich vinden in de bevindingen van de verzekeringsarts, ook voor wat betreft de belastbaarheid van appellante. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

21 maart 2013 vastgesteld dat appellante met ingang van 22 mei 2013 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

1.3.

In zijn rapport van 19 juni 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om af te wijken van de conclusies van de verzekeringsarts. Bij besluit van 20 juni 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 maart 2013 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat haar beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Psychiater Notten was onvoldoende geïnformeerd en subjectief beïnvloed. Ten onrechte is doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van Notten. Aan het in beroep ingebrachte rapport van verzekeringsarts W.M. van der Boog van 9 oktober 2013 is ten onrechte geen beslissende betekenis toegekend. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft appellante een rapport van verzekeringsarts/medisch adviseur J.F.G. Wolthuis van

10 juni 2014 overgelegd. Verder heeft de rechtbank niet tot het oordeel kunnen komen dat de arbeidsdeskundige afdoende heeft gemotiveerd waarom de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de verzekeringsgeneeskundige kant van de onderhavige besluitvorming vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft toereikend gemotiveerd dat er zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich gebaseerd op uitvoerig verzekeringsgeneeskundig onderzoek en op dossieronderzoek, waaronder de informatie van de huisarts, het rapport van de verzekeringsarts, informatie van behandelend psychiater F. Kaya en de expertise van psychiater Notten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat Notten door een suggestieve vraagstelling van het Uwv vooringenomen zou zijn of dat Notten over onvoldoende informatie beschikte om tot een zorgvuldig onderzoek en oordeel te komen. De Raad tekent hierbij aan dat het rapport van Notten, gezien de opbouw en de inhoud daarvan, ook geen aanknopingspunten biedt voor het standpunt van appellante dat hij over onvoldoende informatie beschikte. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het Uwv aan het rapport van Notten beslissende betekenis heeft mogen toekennen. Op grond van dit onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de visie van de verzekeringsarts omtrent de belastbaarheid van appellante per datum in geding correct is. Voorts heeft de rechtbank terecht gemotiveerd dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen over de belastbaarheid van appellante. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het door appellante overgelegde rapport van verzekeringsarts Van der Boog appellantes stelling dat zij meer beperkt is onvoldoende onderbouwt. De Raad wijst er in dat verband op dat de diagnoses van Van der Boog, Notten, Kaya (informatiebrief van 9 oktober 2012) en de verzekeringsartsen van het Uwv grotendeels met elkaar overeenkomen. De reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

12 november 2013 op het rapport van Van der Boog heeft de rechtbank dan ook terecht overtuigend geacht. Het door appellante in hoger beroep overgelegde rapport van verzekeringsarts Wolthuis geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de voor appellante vastgestelde belastbaarheid. Wolthuis heeft appellante niet onderzocht en heeft op basis van dossieronderzoek de bevindingen en de visie van Van der Boog onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 juli 2015 in reactie op het rapport van Wolthuis vermeld dat de beperkingen door Van der Boog wat zwaarder zijn ingeschat, omdat er gerelateerd aan klachten is gerapporteerd terwijl Notten vanuit zijn psychiatrische invalshoek droog en feitelijk rapporteert. Gelet daarop en bij gebreke van objectieve aanwijzingen voor de noodzaak van het aannemen van meer beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer gewicht toegekend aan de bevindingen en visie van Notten. De beschikbare medische gegevens geven geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.2.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de Raad het, net als de rechtbank, voor zijn oordeelsvorming niet noodzakelijk heeft geacht het verzoek van appellant in te willigen om onderzoek door een medisch deskundige te gelasten.

4.3.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de onderhavige besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat uitgaande van de vastgestelde beperkingen appellante in staat moet worden geacht om de geduide functies te vervullen. De gesignaleerde overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn door de arbeidsdeskundige naar behoren gemotiveerd. Voorts is de arbeidskundige bezwaar en beroep in een rapport van

9 juli 2015 uitgebreid ingegaan op de opmerkingen van Wolters over de geduide productiefuncties. Daarbij heeft deze arbeidsdeskundige in het bijzonder een nadere typering gegeven van de aard van productiefuncties op functieniveau 1 en 2 als de onderhavige waarbij kenmerkend zijn de vaste structuur en routine, hetgeen past bij het aangewezen zijn van appellante op voorspelbare werksituaties. Voorts heeft hij erop gewezen dat, voor zover in die functies sprake is van een dwingend tempo, dat samenhangt met de aard van die functies en dat een dwingend tempo niet verward moet worden met een hoog tempo, waarvan in deze functies geen sprake is. Er zijn geen aanknopingspunten om de uiteenzettingen van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

4.4.

Uit hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek van appellante om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2015.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) P. Uijtdewillegen

JL