Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
13/6424 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op zorg in Oostenrijk, waarvoor een buitenlandbijdrage verschuldigd is. De bijdrage wordt ingehouden op AOW-pensioen. In de aangevallen uitspraak is terecht geoordeeld dat de gronden van appellant, die ook in beroep zijn aangevoerd, niet slagen. De Raad onderschrijft de AU volledig. Uit artikel 475e Wetboek van Rv volgt dat de beslagvrije voet niet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6424 ZVW

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2013, 13/5654 en 13/5941 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te Oostenrijk (appellant)

Zorginstituut Nederland, als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Zorginstituut)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2014. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E. Berghout. Ter zitting van de Raad is het onderzoek geschorst. Het vooronderzoek is hervat en het Zorginstituut is verzocht nadere inlichtingen te verschaffen.

Bij brief van 21 mei 2014 heeft het Zorginstituut aan dit verzoek voldaan. Appellant heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 1 juli 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Berghout.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont in Oostenrijk en ontvangt een gekort pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2.

Ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant per 14 juli 2012 als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht op zorg in het woonland, ten laste van Nederland. Voor de kosten van die zorg is op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling Zorgverzekering, van de Zvw een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd.

1.2.

Bij besluit van 20 februari 2013 is bepaald dat de buitenlandbijdrage vanaf maart 2013 wordt ingehouden op het AOW-pensioen van appellant.

1.3.

Bij besluit van 29 juli 2013 heeft het Zorginstituut de voorlopige jaarafrekening 2012 vastgesteld. Daarbij is bepaald dat de buitenlandbijdrage voor het jaar 2012 € 446,79 bedraagt.

1.4.

Bij besluiten van 11 september 2013 (bestreden besluiten) heeft het Zorginstituut de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 20 februari 2013 en 29 juli 2013 ongegrond verklaard.

1.5.

Appellant heeft tegen de bestreden besluiten van 11 september 2013 beroep ingesteld en hij heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard en is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Daarbij is overwogen dat artikel 24 van Vo 883/2004 dwingend is voor verzekerden die onder de werkingssfeer ervan vallen en dat er geen keuzerecht is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1329, overweegt de voorzieningenrechter verder dat de Zvw en de Regeling zorgverzekering ten aanzien van de buitenlandbijdrage regels van dwingend recht bevatten, waarvan het Zorginstituut niet kan afwijken. Ook heeft het Zorginstituut geen mogelijkheid om de buitenlandbijdrage te matigen of kwijt te schelden. De beroepsgrond dat sprake is van strijd met de Grondwet slaagt niet, omdat de rechter de wet niet aan de Grondwet mag toetsen. Dat appellant geen beroep op de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) kan doen, betekent niet dat hij (een deel van) de buitenlandbijdrage niet hoeft te betalen. De inkomensafhankelijke bijdrage AWBZ die deel uitmaakt van de buitenlandbijdrage is geen premie voor de AWBZ.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling staat zowel de maandelijkse inhouding van de buitenlandbijdrage op het AOW-pensioen van appellant met ingang van maart 2013 als de voorlopige jaarafrekening 2012.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op grond van Vo 883/2004 recht heeft op zorg in Oostenrijk ten laste van Nederland en dat appellant voor de kosten van deze zorg op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling Zorgverzekering een buitenlandbijdrage verschuldigd is.

4.3.

Appellant heeft tegen de inhouding van de buitenlandbijdrage op zijn AOW-pensioen in hoger beroep aangevoerd dat hij deze bijdrage niet kan betalen en dat hij door de inhouding op zijn AOW-pensioen niet meer in staat is in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Volgens appellant zijn de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling Zorgverzekering daarmee in strijd met de Grondwet. Deze gronden had appellant ook reeds in beroep aangevoerd. In de aangevallen uitspraak is terecht geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De hierop betrekking hebbende overwegingen in de aangevallen uitspraak onderschrijft de Raad volledig en hij maakt deze tot de zijne. De Raad voegt hieraan nog toe dat in artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 6.3.2 van de Regeling Zorgverzekering is geregeld dat het Zorginstituut verantwoordelijk is voor de heffing en de inning van de buitenlandbijdrage en dat organen die pensioen uitkeren in opdracht van het Zorginstituut deze bijdragen op het pensioen inhouden. Niet kan worden gezegd dat artikel 30 van Vo 883/2004 geen basis biedt voor de heffing en inhouding van de buitenlandbijdrage zoals deze in de Nederlandse wettelijke regelingen heeft vorm gekregen.

4.4.

De stelling van appellant dat het Zorginstituut bij de inhouding van de buitenlandbijdrage ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) slaagt evenmin. Nog daargelaten de vraag of de beslagvrije voet op de inhouding van de buitenlandbijdrage van toepassing is, volgt uit artikel 475e dat de beslagvrije voet niet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die, zoals appellant, niet in Nederland woont of vast verblijft. Wel kan de kantonrechter onder de in dat artikel beschreven voorwaarden een beslagvrije voet vaststellen, maar niet gebleken is dat de kantonrechter dit heeft gedaan.

4.5.

Appellant heeft in hoger beroep tegen de voorlopige jaarafrekening aangevoerd dat hij vanwege zijn financiële positie niet in staat is het daarin opgenomen bedrag van € 446,79 te voldoen. Wat is overwogen onder 4.3 geldt voor deze beroepsgrond onverkort.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Het verzoek om het Zorginstituut te veroordelen tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) S. Aaliouli

UM