Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2931

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
15/1215 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De medisch adviseur van Argonaut Advies heeft vastgesteld dat betrokkene met haar huidige beperkingen aangewezen is op een in hoogte verstelbare toiletvoorziening. De bouwkundig ergonomisch adviseur heeft dat bevestigd, de Aerolet is de goedkoopste en meest adequate voorziening. Nader onderzoek had op de weg van het college gelegen, maar daarvoor is nu geen aanleiding. Plaatsing van de Aerolet op de bovenverdieping is in ieder geval mogelijk en appellante heeft daartegen geen bezwaar. De rechtbank heeft het college op juiste gronden veroordeeld tot betaling van € 1.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De stelling van betrokkene in incidenteel hoger beroep slaagt niet. Pkv en gr.recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1215 WMO en 15/2170 WMO

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 februari 2015, 14/1017 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, een verweerschrift ingediend. Mr. Dassen-Vranken heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Dit beroep is bij de Raad geregistreerd onder nummer 15/2170 WMO.

Het college heeft op 14 april 2015 een zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Op 11 mei 2015 heeft de voorzieningenrechter van de Raad uitspraak gedaan op het in deze zaak ingediende verzoek om voorlopige voorziening. Deze uitspraak is geregistreerd onder nummer 15/1216 WMO-VV.

Partijen hebben nadien nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2015. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. Dekker. Voor betrokkene is verschenen

mr. Dassen-Vranken.

OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 11 mei 2015, nummer 15/1216 WMO-VV. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Betrokkene heeft energetische en locomotore beperkingen als gevolg van een progressieve spierziekte. In verband hiermee heeft zij op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een elektrische toiletlift van het merk Aerolet aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 10 februari 2012.

1.2. Bij besluit van 14 juni 2012 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 februari 2012 ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 9 januari 2014, gerectificeerd op 14 januari 2014, het besluit van 14 juni 2012 vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken na 9 januari 2014 een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen in haar uitspraak. Volgens de rechtbank was het medisch onderzoek dat het college aan zijn besluitvorming ten grondslag had gelegd onzorgvuldig en onvolledig. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen hoger beroep ingesteld.

1.4. Bij besluit van 14 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene, onder aanpassing van de motivering, opnieuw ongegrond verklaard. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op het rapport van GGD-arts T. Pelzer van 11 februari 2014. Pelzer heeft in zijn rapport te kennen gegeven dat hij het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat het eerdere medische advies onzorgvuldig was, niet onderschrijft. Hij persisteert in dit rapport bij zijn eerdere standpunt dat een elektrisch in hoogte verstelbare toiletzitting geen medisch noodzakelijke voorziening is voor betrokkene.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college niet op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 9 januari 2014. De rechtbank heeft daarom het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen aan betrokkene een Aerolet te verstrekken. Tevens heeft de rechtbank het college veroordeeld tot betaling van € 1.000,- schadevergoeding aan betrokkene in verband met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1. Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het college betwist - met verwijzing naar een nadere reactie van de GGD-arts Pelzer - de medische noodzaak van een elektrische in hoogte verstelbare toiletvoorziening. Verder stelt het college zich in hoger beroep op het standpunt dat van schending van de redelijke termijn door het college geen sprake is geweest.

3.2. Betrokkene heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft de Raad verzocht het college op te dragen binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak een Aerolet te plaatsen op verbeurte van een dwangsom voor elke dag dat het college in gebreke blijft. In het incidenteel hoger beroep heeft betrokkene de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover daarbij € 1.000,- schadevergoeding is toegekend. Volgens appellante is de redelijke termijn met ruim 16 maanden overschreden en dient dat te leiden tot een schadevergoeding van € 1.500,-.

3.3. Hangende het hoger beroep en naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van en de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft het college nader onderzoek laten verrichten door Argonaut Advies. Uit het medisch onderzoek van, K. Jhagru, arts, van 3 juni 2015 blijkt dat betrokkene als gevolg van toenemende beperkingen is aangewezen op een voorziening die het haar mogelijk maakt, zowel om op een normale zithoogte gebruik te maken van het toilet als om zelfstandig vanuit een normale zithoogte weer omhoog te komen. Jhagru merkt hierbij op dat betrokkene, gezien het progressieve karakter van haar aandoening, op den duur geheel verzorgingsbehoeftig zal worden en dan een Aerolet niet meer zal kunnen gebruiken. Op welke termijn dat gaat gebeuren is niet te zeggen volgens Jhagru. Naar zijn oordeel is een in hoogte verstelbare toiletvoorziening op dit moment een adequate oplossingsrichting. Uit het onderzoek van ing. F.G.H.M. van de Loo, bouwkundig ergonomisch adviseur, van 15 juni 2015 blijkt dat plaatsing van een Aerolet de goedkoopste en meest adequate oplossing biedt voor de beperkingen die betrokkene ondervindt bij het gebruik van het toilet. Wel merkt Van de Loo daarbij op dat de toiletruimte op de benedenverdieping van de woning van betrokkene krap bemeten is en dat het daarom niet zeker is dat daar een Aerolet geplaatst kan worden. Op de bovenverdieping zou een Aerolet zonder problemen geplaatst kunnen worden. Van de Loo geeft te kennen dat hij geen voorstander is van plaatsing op de bovenverdieping in verband met de dan noodzakelijke transfers met de traplift maar dat in dit geval nauwelijks een reëel alternatief resteert.

3.4. Het college heeft in zijn brieven van 18 en 29 juni 2015 gesteld dat, omdat plaatsing van een Aerolet op de benedenverdieping wellicht niet mogelijk is of alleen na een (dure) verbouwing, toepassing van het verhuisprimaat misschien wel de enige reële mogelijkheid is om tot reductie van de problemen - ook in de toekomst - te komen. Volgens het college is er een geschikte, gelijkvloerse huurwoning in een nette wijk van Heerlen beschikbaar voor betrokkene. In die woning zou de Aerolet makkelijk geplaatst kunnen worden en zonder transfers met een traplift bereikbaar zijn voor betrokkene.

3.5. Betrokkene heeft aangevoerd dat Van de Loo in zijn rapport van 15 juni 2015 ten onrechte geen antwoord heeft gegeven op de vraag of plaatsing van een Aerolet op de benedenverdieping daadwerkelijk (on)mogelijk is. Evenmin heeft hij onderzocht welke kosten een eventuele bouwkundige aanpassing van de benedenverdieping voor de plaatsing van een Aerolet met zich mee zal brengen. Betrokkene betwist dat zij alleen met hulp gebruik kan maken van de traplift en heeft er geen bezwaar tegen dat de Aerolet boven wordt geplaatst. Volgens betrokkene is toepassing van het verhuisprimaat in dit geval geen geschikte en zeker niet de enige mogelijkheid. Haar huidige woning is volledig aangepast aan haar beperkingen. De door het college voorgestelde vervangende galerijwoning is niet geschikt voor betrokkene omdat daar alle drempels aangepast zouden moeten worden. Tot slot is door betrokkene gesteld dat het nogal wrang is dat het college, nadat na drie jaar discussie en procedures de medische noodzaak van een Aerolet eindelijk is vastgesteld, ineens - elf dagen voor de zitting van de Raad - met het verhuisprimaat op de proppen komt om plaatsing van de voorziening in haar huidige woning te voorkomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot het hoger beroep van het college

4.1.1. De medisch adviseur van Argonaut Advies, Jahgru, heeft in zijn rapport van 3 juni 2015 vastgesteld dat betrokkene met haar huidige beperkingen aangewezen is op een in hoogte verstelbare toiletvoorziening. Het is volgens Jahgru niet te zeggen op welke termijn de beperkingen van betrokkene zodanig toegenomen zullen zijn dat een dergelijke voorziening niet meer toereikend zal zijn om de beperkingen van betrokkene bij de toiletgang op te heffen.

4.1.2. De bouwkundig ergonomisch adviseur van Argonaut Advies, Van de Loo, heeft in zijn rapport van 15 juni 2015 geconstateerd dat een Aerolet een passende voorziening is waarmee de beperkingen die betrokkene ondervindt bij de toiletgang vooralsnog voldoende gecompenseerd worden. Een Aerolet is ook de goedkoopste en meest adequate voorziening in dit geval. Weliswaar heeft Van de Loo aangegeven dat de toiletruimte beneden niet veel ruimte biedt, maar dat het onmogelijk is om daar een Aerolet te plaatsen heeft hij niet gesteld. Het college heeft hiernaar geen nader onderzoek laten verrichten. Dit had, gezien het verloop van de procedure en het (laatste) standpunt van het college over het verhuisprimaat, naar het oordeel van de Raad wel op de weg van het college gelegen. Voor het nu alsnog laten verrichten van een dergelijk onderzoek ziet de Raad, rekening houdend met de inmiddels verstreken tijd en het belang van betrokkene bij een finale geschillenbeslechting, geen aanleiding. De Raad acht hierbij ook van belang dat plaatsing van de Aerolet op de bovenverdieping in ieder geval mogelijk is. Volgens appellante is zij nog steeds in staat met de traplift zelfstandig naar boven te gaan en heeft zij geen bezwaar tegen een plaatsing van de Aerolet op de bovenverdieping. Bovendien is ter zitting gebleken dat de Aerolet demontabel is en bij een eventueel noodzakelijke verhuizing in de toekomst meegenomen kan worden.

4.1.3. Op grond van het hiervoor in 4.1.1 en 4.1.2 overwogene komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat het college aan betrokkene een Aerolet moet verstrekken, bevestigd dient te worden. Het college zal zo spoedig mogelijk alsnog uitvoering moeten geven aan de door de rechtbank verstrekte opdracht. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de Raad geen aanleiding.

4.1.4. De rechtbank heeft het college ook op juiste gronden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 21 maart 2012 tot aan de uitspraak van de rechtbank op 4 februari 2015 zijn bijna drie jaar - ruim 34 maanden - verstreken. Dit betekent dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 11 maanden. De vergoeding bedraagt € 500,- per half jaar, of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. In een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een hernieuwde behandeling door de rechtbank, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Dit is slechts anders indien in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor, zodat de termijnoverschrijding volledig aan het bestuursorgaan dient te worden toegerekend.

Met betrekking tot het (incidenteel) hoger beroep van betrokkene

4.2.1. Uit 4.1.4 volgt dat de stelling van betrokkene in incidenteel hoger beroep dat aan haar een hogere schadevergoeding moet worden toegekend wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet slaagt.

4.2.2. De aangevallen uitspraak dient hiermee ook op het punt van de toegekende schadevergoeding bevestigd te worden.

5. Het college zal worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene. Deze kosten bestaan in de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep van € 980,- en de kosten van rechtsbijstand die betrokkene heeft moeten maken in verband met het verzoek van het college om een voorlopige voorziening van € 980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak,

  • -

    veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene van in totaal € 1.960,- en

  • -

    bepaalt dat van het college een griffierecht van € 497,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015.

(getekend) R.M. Male

(getekend) S. Aaliouli

UM