Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
14/3471 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alle besluiten van het Uwv over het recht, het geldend maken van het recht, de hoogte of de duur van werkloosheidsuitkeringen van ex-werknemers moeten door het Uwv aan appellante (=werkgeefster) bekend moeten worden gemaakt. Het Uwv heeft terecht geweigerd de door appellante gevraagde stukken uit het uitkeringsdossier van werknemer te verstrekken voor zover het gaat om andere dossierstukken dan ten aanzien van werknemer genomen besluiten. Proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3471 WW

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2014, 13/2737 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Stichting] te [plaats]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft K. Mulder hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft vragen van de Raad beantwoord, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onder i, van de Werkloosheidswet (WW) en daarmee belanghebbende bij besluiten over WW-uitkeringen van haar voormalige werknemers. Het Uwv heeft appellante uit dien hoofde een kopie toegezonden van zijn besluit haar ex-werknemer [werknemer] (werknemer) in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering met ingang van 1 augustus 2011.

1.2.

Appellante heeft het Uwv bij brief van 25 oktober 2012 verzocht om haar alle relevante stukken te doen toekomen over werknemer. Als motivering heeft appellante gesteld dat deze informatie nodig is om te onderzoeken in hoeverre sprake is van een terechte en rechtmatige toekenning en uitbetaling van de uitkering. Daarnaast zou de informatie nodig zijn in verband met de uitvoering van de op haar rustende re-integratietaak.

1.3.

Bij besluit van 11 december 2012 heeft het Uwv afwijzend beslist op het in 1.2 omschreven verzoek om stukken. Voor het eerste door appellante genoemde doel biedt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen volgens het Uwv geen ruimte. De door appellante verzochte stukken, die zien op het doen van onderzoek naar de rechtmatigheid en de juistheid van de WW-uitkering van werknemer, zijn volgens het Uwv niet noodzakelijk voor de uitvoering van de re-integratietaak. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarin heeft zij aangevoerd dat de door haar gevraagde informatie wel degelijk nodig is voor het uitvoeren van haar re-integratietaak. Bij beslissing op bezwaar van 19 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat voor de uitvoering van de re-integratietaak door appellante stukken betreffende WW-uitkeringen van ex-werknemers slechts aan haar kunnen worden verstrekt, indien zij noodzakelijk zijn voor de uitoefening van die taak. Volgens het Uwv heeft appellante die noodzaak niet specifiek genoeg gemotiveerd. Het Uwv heeft opgemerkt dat een uitzondering geldt voor besluiten waarbij de uitkering wordt toegekend en beëindigd, omdat daarmee het begin en het einde van de re-integratietaak worden vastgesteld. Het Uwv heeft appellante een afschrift verstrekt van het besluit van 20 september 2012, waarbij de WW-uitkering van werknemer met ingang van 3 september 2012 is beëindigd. In verband met de gegrondverklaring van het bezwaar heeft het Uwv een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten toegekend van in totaal € 944,-.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dat beroep ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat het voor het uitvoeren van haar re-integratietaak noodzakelijk is dat zij de beschikking heeft over het volledige WW-dossier, omdat daarin alle informatie die van belang kan zijn voor de re-integratie aanwezig is. Appellante heeft betoogd dat zij niet eerder de inschakeling in de arbeid van een voormalige werknemer kan bevorderen dan wanneer zij een compleet beeld en overzicht heeft van de uitkeringssituatie van deze werknemer.

3.2.

Het Uwv heeft zich - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 19 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3821 - op het standpunt gesteld dat aangezien aan deze procedure een verzoek ten grondslag ligt om het volledige uitkeringsdossier te verstrekken zonder een specifieke motivering van de noodzaak van de verlangde gegevens met het oog op re-integratie, er geen aanleiding bestaat om deze stukken te verstrekken.

3.3.

Bij brief van 29 januari 2015 heeft het Uwv de Raad geïnformeerd dat de WW-uitkering van werknemer in verband met werkhervatting per 3 september 2012 is beëindigd en dat er geen andere besluiten zijn die nog niet aan appellante bekend zijn gemaakt. Het Uwv heeft erop gewezen dat met het bestreden besluit alle beschikbare besluiten inzake het recht, hoogte en duur ten aanzien van werknemer al aan appellante zijn verstrekt, zodat er geen aanleiding bestaat om appellante een proceskostenvergoeding toe te kennen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat alle besluiten van het Uwv over het recht, het geldend maken van het recht, de hoogte of de duur van werkloosheidsuitkeringen van ex-werknemers door het Uwv aan appellante bekend moeten worden gemaakt. De verplichting daartoe vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vereist geen voorafgaand verzoek van appellante (over overweging 3.3.1 van de uitspraak van 22 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO7429, en overweging 4.1.2 van de in 3.2 genoemde uitspraak van 19 november 2014).

4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht geweigerd heeft de door appellante gevraagde stukken uit het uitkeringsdossier van werknemer te verstrekken is juist voor zover het gaat om andere dossierstukken dan ten aanzien van werknemer genomen besluiten. Verwezen wordt naar de overwegingen 4.2.1 tot en met 4.3.2 van de uitspraak van

19 november 2014. Die overwegingen zijn ook in deze zaak van toepassing.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Appellante heeft gesteld dat zij heeft moeten procederen om alle besluiten over het recht, het geldend maken van het recht, de hoogte en de duur van de uitkering van werknemer te ontvangen en om die reden om vergoeding van proceskosten verzocht. Het Uwv heeft in een brief de Raad meegedeeld dat:

“inmiddels een centraal meldpunt is ingericht, waar een verzoek van een werkgever om afgifte van stukken en/of besluiten in behandeling worden genomen met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in de uitspraak van de CRvB d.d. 19 november 2014. Het is nog niet bekend of Uwv in afwijking van de met de sector gemaakte afspraken alle WW-besluiten voortaan spontaan verstuurt naar de overheidswerkgevers die daar toch prijs op stellen”.

Het standpunt van het Uwv dat er in deze zaak geen aanleiding is om appellante een proceskostenvergoeding toe te kennen, wordt gevolgd. Uit de gedingstukken volgt dat appellante op het moment dat beroep tegen het bestreden besluit werd ingesteld en ook op het moment dat hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak werd ingesteld wel alle ten tijde van het bestreden besluit ten aanzien van werknemer genomen besluiten van het Uwv had ontvangen. Van redelijkerwijs gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb is in dit geval geen sprake. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat daarom geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) B. Fotchind

UM