Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
13/2150 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting. Dat de Svb in het verleden de aflossingscapaciteit van appellante onjuist heeft vastgesteld, wil niet zeggen dat hij niet alsnog de schuld mag invorderen. Appellante was op de hoogte van het bestaan van de schuld en van haar verplichting deze af te lossen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2150 ANW

Datum uitspraak: 28 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

4 april 2013, 12/2263 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1. In het verleden heeft appellante een aantal jaren te veel uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) ontvangen, alsmede één maand te veel pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Ook heeft de Svb appellante een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingverplichting in het kader van de ANW. De Svb heeft sindsdien elk jaar een onderzoek gedaan naar de aflossingscapaciteit van appellante en is telkens tot de conclusie gekomen dat die niet aanwezig was. Met het besluit van 12 januari 2012 heeft de Svb appellante laten weten dat in de daaraan voorafgaande jaren de aflossingscapaciteit onjuist is vastgesteld. Appellante dient € 77,63 per maand te voldoen, welk bedrag vanaf 1 januari 2012 verrekend zal worden met haar pensioen op grond van de AOW. Daarnaast dient zij haar vermogen aan te wenden om een bedrag van € 2.904,96 in één keer te voldoen. Het bezwaar van appellante richt zich uitsluitend tegen het moeten aanwenden van haar vermogen voor de aflossing. Zij stelt altijd te hebben opgegeven dat een bedrag van ongeveer € 3.000,- gereserveerd is voor de kosten van haar begrafenis. Dit bedrag zou door de Svb vrijgelaten moeten worden bij de vaststelling van haar vermogen. Met de beslissing op bezwaar van 23 mei 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep is uitsluitend in geding het gebruiken van appellantes vermogen voor de aflossing van de in rechte vaststaande schuld. Gelet op de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak weergegeven wet- en regelgeving was de Svb bevoegd tot dit besluit te komen. Deze regelgeving voorziet erin dat het ter beschikking staande vermogen gebruikt dient te worden om schulden af te lossen. Dat appellante aan (een bepaald gedeelte van) haar vermogen een bepaalde bestemming wenst te geven, leidt niet tot de conclusie dat dit niet gebruikt hoeft te worden om haar schuld af te lossen. Appellante kon vrij beschikken over dit vermogen en heeft dat, zoals uit de stukken blijkt en ter zitting is bevestigd, ook soms gebruikt en weer aangevuld vanaf een andere rekening.

3.2.

Dat de Svb in het verleden de aflossingscapaciteit van appellante onjuist heeft vastgesteld, wil niet zeggen dat hij niet alsnog de schuld mag invorderen. Appellante was op de hoogte van het bestaan van de schuld en van haar verplichting deze af te lossen.

3.3.

Uit wat hiervoor onder 3.1 en 3.2 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2015.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) S. Aaliouli

AP