Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
14/1233 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Over de aard van de mishandeling zijn de verklaringen duidelijk. Appellant werd door met messen bewapende Indonesische vrijheidsstrijders aangevallen. Hij is daarbij gewond geraakt en moest door een dokter worden behandeld. De getuige heeft ook tweemaal aangegeven dat hij appellant naar het Instituut Pasteur heeft gebracht om hem te laten behandelen aan zijn verwondingen. Dit alles leidt er toe dat verweerder het (herzienings)verzoek in redelijkheid niet heeft kunnen afwijzen. Er is in voldoende mate bevestigd dat appellant direct betrokken is geweest bij ongeregeldheden in de zin van de Wubo. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1233 WUBO

Datum uitspraak: 27 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.T. Latuhihin beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder

van 28 januari 2014, kenmerk BZ01674208 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2015. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door Latuhihin als zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1936 in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft in 1984 verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 29 september 1986 is op dat verzoek afwijzend beslist op de grond dat niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld. Appellant heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. In 2000 heeft appellant opnieuw een aanvraag krachtens de Wubo ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 21 maart 2001, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 maart 2002. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. Een in 2003 ingediende aanvraag is afgewezen bij besluit van

25 september 2003. Het bezwaar tegen deze afwijzing is bij besluit van 30 januari 2004

niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.2.

In september 2012 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen een besluit van 6 augustus 2012 in het kader van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet. Bij de hoorzitting van 26 november 2012 ter behandeling van dat bezwaar is toegezegd aan appellant dat dit bezwaar tevens zal worden opgevat als een verzoek om herziening in het kader van de Wubo. Verweerder heeft op dit verzoek afwijzend beslist bij besluit van 17 september 2013, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Hiertoe is overwogen dat nog altijd geen bevestiging is verkregen van een directe en persoonlijke betrokkenheid van appellant bij beschietingen aan de Roelofsenstraat in Bandoeng tijdens de Bersiap-periode. Over het meemaken van een zware mishandeling door pemoeda’s heeft verweerder opnieuw geoordeeld dat van deze gebeurtenis onvoldoende bevestiging is verkregen gezien de wisselende verklaringen over het tijdstip en aard van de mishandeling.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van de eerdere besluiten niet bekend waren en die deze besluiten in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2.

Ook nu zijn geen (objectieve) gegevens naar voren gekomen die een betrokkenheid van appellant bij beschietingen kunnen bevestigen. Het interview met [naam 1] zoals dat is gepubliceerd in het blad “Aanspraak” in september 2012 laat wel zien dat het onrustig is geweest in de wijk Gempol maar kan niet gelden als een bevestiging dat appellant daarbij direct betrokken is geweest. De publicatie “Bersiap in Bandoeng, een onderzoek naar geweld in de periode van 17 augustus 1945 tot 24 maart 1946” van [naam 2] geeft een algemeen beeld van de ongeregeldheden in Bandoeng maar ziet niet op de persoonlijke situatie van appellant. In zoverre is van feiten of omstandigheden als onder 2.1 bedoeld geen sprake.

2.3.

Over het tijdstip waarop de gestelde mishandeling door pemoeda’s heeft plaatsgevonden waren de verklaringen bij met name de eerste aanvraag niet duidelijk. De gebeurtenis werd ook geplaatst in de tijd dat appellant niet meer in Indonesië verbleef. In de nadien overgelegde getuigenverklaringen wordt echter gesteld dat de mishandeling in 1949 heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft appellant nog eens uitdrukkelijk bevestigd dat hij in (de loop van) 1949 mishandeld is geweest. Dit gecombineerd met de nieuwer getuigenverklaringen en het eerdere positieve ambtelijke advies, had voldoende aanleiding moeten geven de aanvankelijke inconsistentie over het tijdstip waarop het voorval heeft afgespeeld te passeren. Over de aard van de mishandeling zijn de verklaringen van [naam zuster] (zuster van appellant) en [naam 3] duidelijk. Beiden hebben verklaard dat appellant door met messen bewapende Indonesische vrijheidsstrijders werd aangevallen, hij daarbij gewond is geraakt en door een dokter moest worden behandeld. De getuige [naam 3] heeft ook tweemaal aangegeven dat hij appellant naar het Instituut Pasteur heeft gebracht om hem te laten behandelen aan zijn verwondingen. Dit alles leidt er toe dat verweerder het (herzienings)verzoek in redelijkheid niet heeft kunnen afwijzen. Er is in voldoende mate bevestigd dat appellant direct betrokken is geweest bij ongeregeldheden in de zin van de Wubo.

2.4.

Gezien hetgeen onder 2.3 is overwogen moet het bestreden besluit worden vernietigd en het beroep gegrond worden verklaard.

2.5.

De Raad zal, nu verweerder in zoverre niet tot een andersluidend besluit kan komen, zelf in de zaak voorzien door te beslissen dat wordt erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Verweerder zal nog een besluit op het bezwaar van appellant moeten nemen ter nadere uitwerking van de gevolgen van die erkenning.

3. Verweerder wordt ten slotte veroordeeld in de kosten van appellant die hij in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 12,80 aan reiskosten van appellant.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 januari 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 12,80.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2015.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD