Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
14/2047 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant komt terecht niet in aanmerking voor een tijdsevenredige gratificatie ambtsjubileum. Het college heeft met de toepassing van artikel 3 van de URU, onderdeel 15v niet gehandeld in strijd met de Wgbl. Het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens van 16 december 2013 geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel.

Wetsverwijzingen
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/323
NJB 2015/1644
AB 2015/416 met annotatie van I. Sewandono
TAR 2015/168
JB 2015/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2047 AW

Datum uitspraak: 27 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

4 maart 2014, 13/4090 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. de Vos en mr. C. Ligthart.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren [in] 1951. Hij is met ingang van 1 september 1971 in dienst getreden bij de PTT, een overheidsinstelling die met ingang van 1 januari 1989 is geprivatiseerd, en is sinds 1 december 1991 werkzaam bij de gemeente Utrecht.

1.2.

Appellant heeft op 4 november 2012 verzocht om hem met toepassing van artikel 8:2 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU) ontslag op eigen verzoek te verlenen wegens het gebruikmaken van het ABP KeuzePensioen. Bij besluit van 17 december 2012 is hem dit ontslag verleend met ingang van 1 maart 2013. Appellant was toen 38 jaar en zeven maanden in overheidsdienst.

1.3.

Bij besluit van 4 april 2013 heeft het college appellant te kennen gegeven dat hij niet in aanmerking komt voor een tijdsevenredige gratificatie ambtsjubileum. Dit besluit is na bezwaar van appellant gehandhaafd bij besluit van 9 juli 2013 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 15:43, tweede lid, van de ARU is bepaald dat de ambtenaar recht heeft op een ambtsjubileumgratificatie en dat in een uitvoeringsregeling nadere regels worden vastgesteld. Ter uitvoering van dit artikel is in artikel 3.1 van de Uitvoeringsregelingen Utrecht (URU), onderdeel 15v, bepaald dat aan het personeelslid aan wie eervol ontslag wordt verleend in verband met de VUT, de FLO of de FPU, wanneer het een volledig ontslag betreft, een gratificatie wordt verleend mits hij bij voortzetting van het dienstverband een dienstvervulling van 25, 40 of 50 jaar zou hebben opgebouwd. Artikel 3.3 bepaalt dat de in artikel 3.1 bedoelde gratificatie wordt vastgesteld op een tijdsevenredig deel van de gratificatie die bij voortzetting van het dienstverband tot aan de 65-jarige leeftijd zou zijn toegekend.

4.2.

Per 1 april 1997 is de Vervroegd uittreden (VUT)-regeling vervangen door de Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU)-regeling waarbij onder voorwaarden de mogelijkheid werd geboden om tussen 55 en 65 jaar uit het arbeidsproces te treden met recht op FPU-pensioen. Op 1 januari 2006 is de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/Prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) van kracht geworden. Daarmee is de fiscale faciliteit van prepensioenregelingen, zoals de FPU-regeling, afgeschaft voor personen geboren na 1949. Naar aanleiding van de Wet VPL zijn de ABP-regelingen in de sectoren overheid en onderwijs met inachtneming van het Hoofdlijnenakkoord 2005 door de Sociale Partners aangepast. Die aanpassing heeft er onder meer toe geleid dat met ingang van 1 januari 2006 de FPU-regeling niet langer van toepassing is op personen geboren na 1949 en dat een nieuwe regeling is gaan gelden. Daarin is voorzien in een recht op ABP KeuzePensioen.

4.3.

Appellant voert aan dat het college hem als goed werkgever had moeten informeren over de gevolgen van de gewijzigde pensioenregelgeving. Appellant voldeed bij invoering van de FPU-regeling aan de voorwaarden om daarvan in de toekomst gebruik te maken. Bij hem is de verwachting gewekt dat hij bij pensionering voor zijn 65e recht zou hebben op een tijdsevenredige gratificatie doordat de URU daarin steeds heeft voorzien.

4.4.

Het betoog van appellant slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van gewekte verwachtingen waaraan appellant het vertrouwen mocht ontlenen dat hem, bij gebruikmaking van een (pre)pensioenregeling anders dan de FPU, een tijdsevenredige gratificatie zou worden toegekend is geen sprake. Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel strekken niet zo ver dat in een uitzicht op in de toekomst te realiseren aanspraken, en dus voorafgaand aan het daadwerkelijke intreden van die aanspraken, geen verandering meer zou mogen worden gebracht. Nu het appellant bekend was dat hij bij ontslag niet langer gebruik kon maken van de FPU, had het op zijn weg gelegen om zich te laten informeren over de gevolgen daarvan voor de tijdsevenredige gratificatie, alvorens zijn ontslagverzoek in te dienen. Dat appellant dit heeft nagelaten komt voor zijn rekening en risico.

4.5.

Appellant betoogt voorts dat sprake is van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie. Omdat hij is geboren na 1949 kon hij bij vervroegde uittreding niet langer gebruik maken van de FPU-regeling en kwam hij als gevolg daarvan niet meer in aanmerking voor een tijdsevenredige gratificatie. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst appellant naar het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens van 16 december 2013, 2013-0325, dat jegens appellant een verboden onderscheid is gemaakt op grond van leeftijd door hem geen tijdsevenredige gratificatie toe te kennen.

4.6.

Artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (Wgbla) bepaalt dat een onderscheid direct en indirect kan zijn. Artikel 1, aanhef en onder c, van de Wgbla, bepaalt dat van indirect onderscheid sprake is indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde leeftijd in vergelijking met andere personen bijzonder treft. Artikel 3, aanhef en onder e, van de Wgbla bepaalt dat onderscheid op grond van leeftijd verboden is bij de arbeidsvoorwaarden. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wgbla bepaalt dat het verbod van onderscheid niet geldt indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

4.7.

Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 3 maart 2009, BH4945, onder verwijzing naar het oordeel van het College voor de Rechten voor de Mens van 8 november 2005, 2005-219, overwogen dat de bij de gewijzigde pensioenregeling en de Wet VPL gehanteerde leeftijdsgrens niet in strijd is met de Wgbl. Het aan dit onderscheid ten grondslag liggende doel betreft het nastreven van een betaalbaar en stabiel pensioensysteem dat binnen bepaalde leeftijdsgrenzen flexibel inzetbaar is en voorziet in een inkomensniveau dat in redelijke verhouding staat tot het inkomen tijdens het arbeidsleven en de duur daarvan. De Sociale Partners zijn akkoord gegaan met dit toegepaste onderscheid, rekening houdend met de belangen van alle deelnemers.

4.8.

Het college heeft in navolging van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en onder verwijzing naar het op landelijk niveau in het College van Arbeidszaken gevoerde overleg en het Georganiseerd Overleg op gemeentelijk niveau, in de gewijzigde pensioenregeling geen aanleiding gezien artikel 3.1 van de URU, onderdeel 15v aan te passen in die zin dat ook bij ABP Keuzepensioen aanspraak bestaat op een tijdsevenredige gratificatie. Daarbij heeft het college overwogen dat om het pensioenstelsel betaalbaar te houden de FPU-regeling, waarin eerder stoppen met werken werd gestimuleerd, is afgeschaft met inachtneming van een overgangsregeling voor deelnemers geboren vóór 1950 (de zogenoemde 55-plussers). Daarvoor is een nieuwe regeling, het ABP KeuzePensioen, in de plaats gekomen. Met de gewijzigde pensioenregeling wordt juist het langer doorwerken door werknemers gestimuleerd. Daarbij past niet het evenredig toepassen naar diensttijd van een gratificatie; daarvan valt immers juist een averechtse werking te verwachten.

4.9.

De Raad is van oordeel dat voor zover deze keuze van het college een indirect onderscheid naar leeftijd tot gevolg heeft, dit onderscheid gerechtvaardigd is door het daarmee beoogde legitieme doel dat is gelegen in het bevorderen van arbeidsparticipatie. Het niet toekennen van een tijdsevenredige gratificatie bij ontslag wegens ABP KeuzePensioen is een geschikt en daarmee passend middel. Het middel is noodzakelijk nu dit doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid en waartegen niet uit anderen hoofde overwegende bezwaren bestaan. Het door appellant genoemde alternatief om een recht op tijdsevenredige gratificatie te laten gelden tot 1 januari 2015, zijnde de datum waarop geen ambtenaren meer in dienst zijn die gebruik kunnen maken van de FPU, doet afbreuk aan het met het middel beoogde legitieme doel en heeft overigens eveneens onderscheid naar leeftijd tot gevolg.

4.10.

Dit betekent dat het college met de toepassing van artikel 3 van de URU, onderdeel 15v niet heeft gehandeld in strijd met de Wgbl. Het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens van 16 december 2013 geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel.

4.11.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.N.A. Bootsma en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.W. Munneke

HD