Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2900

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
14/4661 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeschrijving aangevuld met een beschrijving van de deelname aan overlegvormen met ketenpartners. Functiewaardering in schaal 8. Geen grond voor het oordeel dat de korpschef bij het bestreden besluit de werkzaamheden die appellant feitelijk zijn opgedragen, niet juist heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4661 AW

Datum uitspraak: 27 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 februari 2014, 13/647 (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 juli 2014, 13/647 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Drenthe (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. K. Rijnaard hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. K.I. Meijering. De korpschef heeft zich, na bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Nadat de korpschef aan appellant kenbaar had gemaakt dat hij in het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) het voornemen had de door appellant op 31 maart 2011 uitgeoefende functie van Senior medewerker opsporing tactiek met als taakgebied vreemdelingentoezicht aan te merken als uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het LFNP, heeft appellant verzocht om functieonderhoud op grond van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp, Stcrt. 2012, nr. 3097).

1.2.

Nadat de korpschef aanvankelijk het voornemen had geuit dit verzoek af te wijzen, is hij na het inwinnen van extern advies overgegaan tot het maken van een beschrijving van de feitelijke werkzaamheden van appellant. Daarover heeft appellant op 16 februari 2012 een gesprek gehad met twee functiewaarderingsmedewerkers. Met het verslag van dit gesprek en de daarbij behorende documenten, waaronder een beschrijving van de functie Keten/Netwerkbeheerder Vreemdelingenpolitie bij de politieregio Fryslân, heeft appellant zich akkoord verklaard.

1.3.

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft de korpschef het verzoek tot functieonderhoud toegewezen, de beschrijving van de functie Rechercheur Vreemdelingentoezicht en Asieltaken (functiebeschrijving) vastgesteld, deze functie gewaardeerd op schaal 8 en appellant vanaf 31 december 2009 in deze functie aangesteld.

1.4.

Bij besluit van 15 juli 2013 heeft de korpschef het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de functiebeschrijving onvoldoende recht doet aan de feitelijke werkzaamheden van appellant bij het onderhouden van contacten met ketenpartners. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat nog andere door hem genoemde taken in de functiebeschrijving onvoldoende of onvolledig zijn beschreven. De rechtbank heeft de korpschef in de gelegenheid gesteld het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek te herstellen.

2.2.

Bij besluit van 17 april 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef de functiebeschrijving aangevuld met een beschrijving van de deelname aan overlegvormen met ketenpartners. Verder heeft de korpschef te kennen gegeven het voornemen te hebben de (aangepaste) functie te waarderen op schaal 8.

2.3.

Appellant heeft laten weten zich te kunnen vinden in de wijze waarop het gebrek op het onderdeel ‘contacten met ketenpartners’ in het bestreden besluit is hersteld, maar dat hij zijn overige bezwaren tegen de functiebeschrijving handhaaft.

2.4.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen staat vast dat appellant een belangrijke rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van overlegvormen met ketenpartners vanaf 2005. De samenwerking met ketenpartners die in de loop van de tijd is ontstaan, is als afzonderlijke taak in de functiebeschrijving opgenomen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn werkzaamheden op het gebied van de samenwerking met externe partners in de aangevulde functiebeschrijving onvoldoende zijn weergegeven. De korpschef heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat opbouwen van een netwerk inherent is aan werkzaamheden waarbij, zoals uit de aangepaste functiebeschrijving blijkt, contacten met andere organisaties worden onderhouden.

4.2.

Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij verantwoordelijk is voor het op één lijn brengen van voorstellen over te nemen maatregelen in het kader van terugkeerbeleid of asieltaken. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat het hierbij gaat om het maken van afspraken met ketenpartners over de behandeling van concrete gevallen. Deze werkzaamheden van appellant wijken niet wezenlijk af van wat in de aangepaste functiebeschrijving is omschreven als: “in samenwerking met externe ketenpartners (…) te komen tot een persoonlijke vertrekstrategie”. Dat de verantwoordelijkheid op dit punt bij appellant zou berusten, is niet aannemelijk gelet op de verklaring van zijn teamchef K tegenover de rechtbank dat op dit punt de verantwoordelijkheid niet bij appellant ligt.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij signaleert, adviseert en rapporteert aan het management over te nemen beslissingen en dat hij knelpunten signaleert en het management daarover adviseert. Uit de voorbeelden die appellant onder meer ter zitting heeft gegeven, blijkt dat appellant knelpunten signaleert waar hij bij het verrichten van zijn werkzaamheden tegenaan loopt en voorstellen doet voor verbetering. De korpschef heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze terugkoppeling naar de leiding valt onder in de functiebeschrijving opgenomen taken en daarnaast ook inherent is aan een functie op seniorniveau. In de functiebeschrijving is opgenomen dat de leiding wordt geïnformeerd over verkregen resultaten. Dat het tot de opgedragen werkzaamheden van appellant behoorde adviezen te geven met een beleidsmatig karakter heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Aan de schriftelijke verklaring van zijn teamchef K dat appellant de werkzaamheden verrichtte die zijn opgenomen in de functiebeschrijving van de functie Keten/Netwerkbeheerder Vreemdelingenpolitie bij de politieregio Fryslân hecht de Raad niet de betekenis die appellant daaraan toegekend wil zien. K heeft in zijn verklaring namelijk niet vermeld om welke concrete werkzaamheden van appellant het daarbij gaat. Ook in zijn verklaring ter zitting bij de rechtbank heeft K hierop geen nadere toelichting gegeven.

4.4.

De Raad neemt aan dat het tot de taak van appellant behoorde om bij de invoering van nieuwe wetgeving, waarbij hij het voorbeeld van nieuwe asielwetgeving en de terugkeerrichtlijn heeft gegeven, de gevolgen daarvan voor de werkzaamheden van zijn team in kaart te brengen. Met de korpschef is de Raad echter van oordeel dat in het onderdeel ‘Kennisoverdracht’ deze werkzaamheden voldoende zijn beschreven met “ het geven van instructie vanuit een positie van functiesenioriteit, opdat collega’s worden voorzien van speciale kennis en vaardigheden op een bepaald werkveld”. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn werkzaamheden bij de invoering van nieuwe regelgeving wezenlijk afweken van deze taakomschrijving.

4.5.

De slotsom is dat er geen grond is voor het oordeel dat de korpschef bij het bestreden besluit de werkzaamheden die appellant feitelijk zijn opgedragen, niet juist heeft vastgesteld. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

W.J.A.M. van Brussel en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van

C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

27 augustus 2015.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD