Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
14/1474 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Appellant heeft zijn hoofdverblijf op het door hem opgegeven adres niet aannemelijk gemaakt. Als gevolg van zijn weigering mee te werken aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek heeft appellant de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting geschonden met als gevolg dat het college het recht op bijstand van appellant niet heeft kunnen vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1474 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

3 februari 2014, 13/3687 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.W. Hau, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hau. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S. Dijkman-Dulkes-Wan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 10 september 2012 gemeld voor bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en op 13 september 2012 een daartoe strekkende aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij alleenwonend is op het adres [adres] . Het college heeft in het kader van de aanvraag vastgesteld dat dit adres afwijkt van het adres waaronder appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans: basisregistratie personen, is ingeschreven en dat er nog twee andere personen stonden ingeschreven op het adres van appellant. Verder is aan de hand van de door appellant overgelegde uitdraai van zijn internetbankrekening vastgesteld dat hij veel (pin)betalingen deed in de gemeente Den Haag. Appellant heeft voorts bij het aanvraaggesprek op 9 oktober 2012 verklaard dat hij één tot twee dagen per week bij zijn vriendin in Den Haag verblijft, maar dat hij niet weet wat haar adres is. Desgevraagd kon hij geen huurcontract overleggen en evenmin een bewijs van huurbetalingen. Hij gaf op enig moment aan het gesprek te willen beëindigen omdat hij weg moest en deelde mee dat hij verder geen vragen wilde beantwoorden. Appellant is hierop gevraagd mee te werken aan een onmiddellijk in aansluiting op het gesprek af te leggen huisbezoek maar appellant gaf aan daarvoor geen tijd meer te hebben. Appellant is tijdens het gesprek erop gewezen dat het niet nakomen van de inlichtingenplicht en het niet meewerken aan het huisbezoek tot gevolg heeft dat de aanvraag zal worden afgewezen.

1.2.

Bij besluit van 16 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant zijn hoofdverblijf op het door hem opgegeven adres niet aannemelijk heeft gemaakt en heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een huisbezoek om zijn feitelijke woonsituatie te beoordelen. Het recht op bijstand kan daardoor niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant blijft van mening dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat zijn hoofdverblijfplaats in de gemeente Haarlem is en dat hij zijn inlichtingenverplichting is nagekomen. Hij heeft, net als in beroep, aangevoerd dat er geen redelijke grond bestond voor het onaangekondigd huisbezoek en dat hij op 9 oktober 2012 dringende afspraken had waardoor het huisbezoek geen doorgang kon hebben.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Indien de belanghebbende de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat.

4.3.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete en objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.4.

Anders dan appellant heeft betoogd bestond in dit geval een redelijke grond voor een huisbezoek. De onder 1.1 vermelde concrete feiten en omstandigheden, met name de opgave van appellant dat hij alleenwonend is, de vele (pin)betalingen in Den Haag en het niet kunnen overleggen van een huurcontract en huurbetalingsbewijzen, bieden voldoende grondslag voor de bij het college ontstane twijfel aan de juistheid of volledigheid van de door appellant opgegeven woonsituatie. Die informatie kon niet op een andere effectieve en voor appellant minder belastende wijze worden geverifieerd dan door het afleggen van een huisbezoek onmiddellijk in aansluiting op het gesprek van 9 oktober 2012.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7234) ligt het, indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de betrokkene opgegeven adres noodzakelijk is, in de risicosfeer van de betrokkene indien dat huisbezoek niet mogelijk is. Alleen een zwaarwegend belang dat aan onmiddellijke uitvoering van een huisbezoek in de weg staat, kan een rechtvaardigingsgrond zijn voor het niet verlenen van de verlangde medewerking.

4.6.

Appellant heeft zijn stelling dat het voorgenomen huisbezoek op 9 oktober 2012, in aansluiting op het aanvraaggesprek in het gemeentekantoor, vanwege twee dringende afspraken geen doorgang kon vinden, niet onderbouwd. Het enkele feit dat appellant op

9 oktober 2012 blijkbaar enige tijd heeft moeten wachten voordat het gesprek kon plaatsvinden is daartoe ontoereikend. Bovendien is ter zitting van de Raad gebleken dat van een ziekenhuisafspraak of -opname van de moeder van appellant op 9 oktober 2012 in feite geen sprake is geweest en dat appellant het gestelde sollicitatiegesprek voor die dag heeft afgezegd.

4.7.

Uit het voorgaande vloeit voort dat als gevolg van zijn weigering mee te werken aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek appellant de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden met als gevolg dat het college het recht op bijstand van appellant niet heeft kunnen vaststellen. Met de rechtbank moet dan ook worden geoordeeld dat het college de aanvraag van appellant terecht heeft afgewezen.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD