Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2893

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
12/604 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Staat en CIZ worden veroordeeld tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/604 AWBZ, 12/605 AWBZ, 12/607 AWBZ

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Staat der Nederlanden, de Minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

en

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2011, 07/2940, 07/4394, 08/2754 en 10/4692, in het geding tussen verzoekster en CIZ.

Bij uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:340) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij is het onderzoek in de zaken 12/604 AWBZ, 12/605 AWBZ en 12/607 AWBZ heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoekster om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en is de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Partijen hebben gereageerd op het verzoek om een schriftelijke uiteenzetting te geven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2015. Verzoekster is verschenen. CIZ en de Staat hebben zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij het niet eens is met de uitspraak van 29 januari 2014. Volgens verzoekster klopt de uitspraak inhoudelijk niet en zijn haar indicaties verkeerd vastgesteld. Met de uitspraak van 29 januari 2014 heeft de Raad een definitief oordeel gegeven. Dit betekent dat verzoekster dit oordeel niet meer ter discussie kan stellen.

Er ligt alleen nog ter beoordeling voor of er aanleiding bestaat om in verband met het volgens de Raad in de uitspraak van 29 januari 2014 bestaande vermoeden van overschrijding van de redelijke termijn in de zaken 12/604 AWBZ, 12/605 AWBZ en 12/607 AWBZ schade aan verzoekster te vergoeden.

2. Of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van belang de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoekster gedurende de hele procesgang en de aard van het bestreden besluit en het daardoor getroffen belang van verzoekster.

3. De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

4. De Raad ziet aanleiding om in de zaak met nummer 12/607 AWBZ een andere behandelduur vast te stellen dan die waaraan de Raad bij de uitspraak van 29 januari 2014 het vermoeden heeft ontleend dat de redelijke termijn is overschreden. Anders dan in de uitspraak van 29 januari 2014 is overwogen, is het besluit van 9 oktober 2007 geen spontaan genomen besluit op een reeds afgedaan bezwaarschrift, maar een besluit dat is genomen tijdens een beroepsprocedure bij de rechtbank gericht tegen een besluit van 25 april 2006. Bij dit besluit van 25 april 2006 is op het bezwaar van verzoekster van 3 februari 2005 tegen het besluit van 29 december 2004 beslist. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in deze zaak niet aanvangt op het moment dat verzoekster beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 9 oktober 2007, maar op het moment dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 29 december 2004, te weten op 3 februari 2005. Dit komt neer op het volgende.

5. Vanaf de ontvangst door het college op 3 februari 2005 van het bezwaarschrift van verzoekster tot de datum van de uitspraak van de Raad op 29 januari 2014 zijn bijna negen jaar verstreken. Er is geen aanleiding om in dit geval een totale lengte van de procedure van meer dan vier jaar gerechtvaardigd te achten. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van een overschrijding van de nog als redelijk aan te merken behandelingsduur met bijna vijf jaar.

6. De Raad stelt vast dat sprake is van een te lange behandelduur bij CIZ, nu tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 3 februari 2005 en het besluit op bezwaar van 25 april 2006 één jaar en ruim twee maanden zijn verstreken. De behandelingsduur in de bezwaarfase is hiermee met ruim 8 maanden overschreden. De Raad stelt vervolgens vast dat sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase als geheel. De redelijke termijn in de rechterlijke fase is begonnen met de ontvangst op 29 mei 2006 van het beroepschrift door de rechtbank en is geëindigd met de uitspraak van de Raad op 29 januari 2014. Dat is in totaal zeven jaar en acht maanden. Daarmee is sprake van een overschrijding van ruim 4 jaar.

7. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Niet is gebleken dat hier van een hoger bedrag uitgegaan had moeten worden. De schadevergoeding wordt vastgesteld op het bedrag van

€ 5.000,-. Gelet op hetgeen in 6 is overwogen wordt de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 4.250,- en CIZ tot betaling van een schadevergoeding van € 750,-.

8. De overschrijding van de redelijke termijn in de procedures 12/604 AWBZ en 12/605 AWBZ dient niet tot een hogere schadevergoeding te leiden. De Raad verwijst voor de vaststelling van de behandelduur in deze procedures naar de hierop betrekking hebbende overwegingen in de uitspraak van 29 januari 2014. De start van de redelijke termijn in deze procedures is gelegen op data na de start van de redelijke termijn in de procedure 12/607 AWBZ, terwijl de redelijke termijn in alle procedures eindigt met de uitspraak van de Raad. De overschrijding in de overige procedures valt daarmee binnen de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure 12/607 AWBZ. Van extra spanning en frustratie in de procedures met registratienummers 12/604 AWBZ en 12/605 AWBZ is niet gebleken. Verzoekster heeft haar stelling dat zij door deze procedure wel extra spanning en frustratie heeft ondervonden, waardoor haar lichamelijke klachten zijn verergerd, niet nader onderbouwd met medische stukken. In de procedures 12/604 AWBZ en 12/605 AWBZ kan daarom worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.

9. Er is geen aanleiding om de Staat en CIZ te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in deze schadeprocedure, omdat niet is gebleken van proceshandelingen die voor vergoeding in aanmerking komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 4.250,-;

- veroordeelt CIZ tot betaling aan appellante van een schadevergoeding tot een bedrag van

€ 750,-.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015.

(getekend) J. Brand

(getekend) H.J. Dekker

AP