Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
12/2467 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van de medische grondslag. De arbeidsdeskundige heeft afdoende gemotiveerd dat de voorgehouden functies geschikt zijn te achten voor appellant. In beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2467 WIA

Datum uitspraak: 7 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van

28 maart 2012, 11/65 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] , verblijvend in de Verenigde Staten (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft mr. R. Shahbazi zich als opvolgend advocaat van appellant gesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 februari 2015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. Shahbazi. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 4 september 2008 uitgevallen voor zijn werk als onderzoeker/laborant voor 14,69 uur per week vanwege diverse lichamelijke en psychische klachten, waarbij de vermoeidheidsklachten en klachten aan de schouders, armen en handen voorop stonden. Op 17 mei 2010 heeft appellant een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.

1.2.

Bij besluit van 4 augustus 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van Wet WIA is ontstaan, omdat hij met ingang van 2 september 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 24 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de door deze opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 november 2010. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is door de rechtbank onderschreven. Hiertoe heeft zij overwogen dat door het Uwv afdoende is toegelicht dat de voorgehouden functies in overeenstemming zijn met de functionele mogelijkheden van appellant. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

8 augustus 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390), overwogen dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van aan het CBBS ontleende gegevens. De rechtbank is niet overtuigd door het argument van appellant dat de werkzaamheden in de functies huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) en huishoudelijke hulp (SBC-code 372060) ten minste 65% met elkaar overeenstemmen.

2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft gehecht aan de beschikbare medische stukken. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet in staat is om de voorgehouden functies uit te oefenen, heeft hij op 5 december 2014 een groot aantal medische stukken ingediend, waaronder een second-opinion van

25 augustus 2014 van A.P. Keegan, M.D., werkzaam bij Roskamp Institute te Sarasota, in de Verenigde Staten. Uit deze medische stukken blijkt, volgens appellant, dat hij lijdt aan een hersenafwijking en een zenuwaandoening die rug-, been- en armklachten ten gevolg heeft, waardoor hij zoveel (pijn)klachten ondervindt dat hij niet in staat is om te werken. Uit de informatie van Keegan en andere, behandelende, artsen blijkt, volgens appellant, dat dit ook in 2008 het geval was. Verder heeft appellant aangevoerd dat de motivering van de rechtbank ten aanzien van de door hem opgeworpen stelling dat twee van de voorgehouden functies feitelijk dusdanig overeenkomen dat zij als één enkele functie beschouwd moeten worden niet overtuigt, omdat niet daadwerkelijk door de rechtbank is getoetst of de werkzaamheden in de functies feitelijk overeenkomen. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan zijn betoog, dat de door hem ingediende klachten tegen het Uwv niet zijn meegenomen in de heroverweging die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, geen beroepsgrond kan worden ontleend.

3.1.

De Raad komt tot de volgende overwegingen.

3.2.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig medisch onderzoek en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle beschikbare medische informatie betrokken bij zijn beoordeling van de functionele mogelijkheden van appellant, naast de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts en zijn eigen bevindingen uit dossieronderzoek en op grond van de hoorzitting. Uit de informatie van de Nederlandse artsen die appellant ten tijde van zijn uitval in september 2008 en de periode daarna hebben behandeld, blijkt niet van de hersenafwijking zoals die in 2014 door Keegan en zijn collega’s is vastgesteld. Uit de brief van neuroloog dr. P.J.A.M. Brouwers van 25 februari 2009 blijkt dat deze ulnaropathie heeft vastgesteld en dat hij, gelet op de overige klachten, aanleiding heeft gezien voor nader onderzoek door middel van een MRI-scan van de hersenen, EMG en laboratoriumonderzoek. Uit de vervolgens in april 2009 verrichte onderzoeken zijn, volgens deze neuroloog, geen afwijkingen gebleken, met uitzondering van aanwijzingen voor een sensomotorische ulnaropathie beiderzijds op grond van de EMG. Uit de MRI van de hersenen kwam een kleine gliotische haard in de linker temporaalpool naar voren zonder duidelijke betekenis. Gelet hierop acht de Raad, overtuigend door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd in zijn rapporten van 8 november 2013 en

10 februari 2015, dat op de datum in geding van 2 september 2010 niet van een geobjectiveerde hersenafwijking is gebleken en dat de door Keegan vastgestelde ulnaropathie bekend was en op juiste wijze beoordeeld is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de in de FML opgenomen beperkingen. Ook ten aanzien van de overige, omvangrijke medische informatie die appellant tijdens de beroepsprocedure en in hoger beroep heeft ingediend, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend onderbouwd dat deze informatie ofwel reeds bekend was bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep en door hem op juiste wijze is meegewogen, ofwel niet ziet op de medische situatie van appellant op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de degeneratieve veranderingen van de cervicale wervelkolom, de ulnaire neuropathie, de bursitis/rotator cuff laesie, fibromyalgie, slaapstoornis, postherpetische neuralgie, recidiverende urineweginfecties, chronische sinusistis/astma en tinnitus allemaal meegewogen bij de beoordeling van de functionele mogelijkheden van appellant. In de diverse rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is afdoende onderbouwd dat er geen aanleiding is voor het aannemen van meer beperkingen dan opgenomen in de FML.

3.3.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat de voorgehouden functies geschikt zijn te achten voor appellant. Met juistheid ook heeft de rechtbank gewezen op de rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390) dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens. Appellant heeft weliswaar gesteld dat de functies van huishoudelijk medewerker gebouwen en huishoudelijke hulp dermate vergelijkbare werkzaamheden inhouden dat zij als gelijksoortig dienen te worden gekwalificeerd en dus als behorend tot dezelfde SBC-code dienen te worden aangemerkt, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd, gelet op de in het Resultaat functiebeoordeling beschreven inhoud van de werkzaamheden in de functies.

3.4.

Wat betreft de door appellant ingediende klacht(en) ten tijde van de bezwaarprocedure is de Raad niet gebleken van toezeggingen over de (wijze van) afhandeling tijdens de bezwaarprocedure, noch heeft appellant duidelijk gemaakt dat er vanwege onjuiste afhandeling van de klacht sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming.

3.5.

Gelet op het onder 3.2 en 3.3 overwogene slaagt het hoger beroep niet.

3.6.

Voor een proceskostenveroordeling is dan ook geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E. Dijt en

L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) V. van Rij

UM