Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
13/6688 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-uitkering. Voldoende medische onderbouwing. Beperkingen niet onderschat. Voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6688 WIA

Datum uitspraak: 7 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2013, 12/4192 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.R. van der Veen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft desgevraagd de volledige Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

6 november 2012 overgelegd.

Appellant heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen. Namens het Uwv is verschenen mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zijn werkzaamheden van groepsleerkracht primair onderwijs voor 36,09 uur per week op 8 februari 2009 gestaakt wegens psychische klachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd is de werkgever gedurende 52 weken een loonsanctie opgelegd.

1.2.

Bij besluit van 1 mei 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 5 februari 2012 recht is ontstaan op een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), onder de overweging dat hij op die datum 43,74% arbeidsongeschikt was.

1.3.

Bij besluit van 12 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 mei 2012 ongegrond verklaard. Aan dat besluit liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2.

De rechtbank zag geen grond voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beperkingen voor het verrichten van arbeid onjuist heeft weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 november 2012 . Die arts heeft de beschikbare medische informatie op kenbare en plausibele wijze in de heroverweging betrokken. Hij heeft helder uiteengezet dat hij aanleiding zag een verdergaande urenrestrictie toe te passen dan de verzekeringsarts, maar niet in de mate die appellant claimt. De rechtbank heeft voorts geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 21 juni 2013 dat het door appellant overgelegde multidisciplinair rapport van 25 mei 2013 van psychiater/psychotherapeut A.J.W.M. Trompenaars en klinisch psycholoog/klinisch neuroloog L.E.E. Ligthart (multidisciplinair rapport) niet noopt tot het verder aanscherpen van de FML.

2.3.

Ervan uitgaande dat het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag, zag de rechtbank evenmin reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van appellant voor de voor hem geselecteerde functies. Die geschiktheid is voldoende gemotiveerd.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat het Uwv zijn psychische beperkingen niet juist heeft gewaardeerd in de FML van 6 november 2012. Ten onrechte heeft de rechtbank geen doorslaggevend gewicht toegekend aan de conclusies in het in 2.2 vermelde multidisciplinair rapport. Trompenaars en Ligthart hebben inzichtelijk gerapporteerd en hun conclusies zijn voldoende onderbouwd om bepalend te kunnen zijn voor een rechterlijk oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij hebben die conclusies gebaseerd op eigen onderzoek en de medische informatie in het dossier. Appellant acht zich gezien zijn klachten niet in staat de geduide functies te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het tot de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) behoort om op basis van de medisch objectiveerbare klachten de functionele mogelijkheden van appellant tot het verrichten van arbeid vast te stellen. De Raad wijst in dit verband op zijn vaste rechtspraak (bijvoorbeeld zijn uitspraak van 13 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW2226).

4.2.

Er is geen aanleiding de rechtbank niet te volgen in haar oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid op de datum in geding door de verzekeringsartsen van het Uwv niet onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant twee maal op het spreekuur gezien en heeft een specialistisch onderzoek laten verrichten bij de HSK-groep. Dat heeft geleid tot het expertiseverslag van 28 februari 2012 van GZ-psycholoog G. Beldman en psychiater

A.M.H. van Leeuwen (expertiseverslag). Op grond van anamnestisch en psychiatrisch onderzoek is daarin de diagnose ‘depressieve episode, recidiverend, ernstig van aard’ gesteld. Voorts adviseerden zij tot werkzaamheden in een prikkelarme omgeving zonder tijdsdruk. Op basis van dit expertiseverslag en het eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts de beperkingen van appellant neergelegd in een FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn conclusies gebaseerd op dossieronderzoek en gegevens verkregen tijdens de hoorzitting. Op basis daarvan heeft hij de eerder door de verzekeringsarts opgestelde FML op 6 november 2012 aangescherpt.

4.3.1.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat in die aangescherpte FML uiteindelijk toch te weinig beperkingen zijn opgenomen heeft appellant in beroep het in 2.2 vermelde multidisciplinair rapport overgelegd. Trompenaars en Ligthart stellen daarin vanuit anamnese en eigen onderzoeksbevindingen voorj appellant de diagnose ‘ernstige recidiverende reactieve depressieve stoornis’ vast. Volgens hen zijn de beperkingen van appellant niet juist weergegeven in de FML van 6 november 2012. Die beperkingen zijn van een veel omvattender aard dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld.

4.3.2.

Het in 4.3.1 samengevat weergegeven standpunt van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 21 juni 2013 gemotiveerd betwist. Op inzichtelijke wijze heeft hij uiteengezet dat voor zover uit het multidisciplinair rapport een andere inschatting van de functionele mogelijkheden van appellant op 5 februari 2012 valt op te maken, die inschatting uit verzekeringsgeneeskundig oogpunt niet staande kan worden gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeldt in dit rapport dat in de FML beperkingen zijn opgenomen met betrekking tot de aspecten afleiding door activiteiten van anderen, veelvuldige storingen en onderbrekingen, veelvuldige deadlines/productiepieken, emotionele problemen van anderen hanteren, omgaan met conflicten en samenwerken. Hij ziet geen reden deze beperkingen aan te scherpen omdat de ernst van appellants problematiek sterk wordt beïnvloed door zijn gesteldheid. Appellant vermeldt zelf meermaals dat hij problemen heeft in de sociale interactie doordat hij hoogbegaafd is. Om die reden neemt hij de zaken anders waar en begrijpen anderen niet of pas veel later waar hij het over heeft. Ook aan de onderzoekers zegt hij meermalen dat hij op onderdelen ‘bewust’ onderpresteert. Voorts is appellant op de aspecten concentreren en verdelen van de aandacht niet beperkt. Bij het psychiatrisch onderzoek is volgens het multidisciplinair rapport de aandacht goed te trekken en te behouden. Appellant is in staat de testen te maken. Uit het dagverhaal blijkt voorts dat appellant twee dagen per weekvrijwilligerswerk verricht in een archief. Met betrekking tot de aspecten voorspelbare werksituatie/flexibel inspelen op sterk wisselende uitvoeringssituaties acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant geestelijk wendbaar genoeg, hoewel appellant niet mee kan in door anderen opgelegde veranderingen wegens het feit dat hij zelf allang het resultaat daarvan ziet. Dit werd ook meermalen door hem aan de onderzoekers medegedeeld. De oorzaak ligt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep derhalve in de hoogbegaafdheid van appellant. Verder is met betrekking tot het aspect werktijden de toepasselijke verzekeringsgeneeskundige richtlijn gevolgd. Wegens de stemmingsstoornis werd een medische urenbeperking opgenomen voor de nacht. Voor het overige geeft het dagverhaal geen aanleiding appellant hierin nog meer te beperken.

4.3.3.

De Raad ziet geen aanleiding voor twijfel aan de in 4.3.2 weergegeven verzekeringsgeneeskundige reactie op het multidisciplinair rapport. Desgevraagd heeft appellant ook ter zitting niet aan kunnen geven dat de in het multidisciplinair rapport aangenomen aanvullende beperkingen met betrekking tot concentratie, verdelen van de aandacht en uren kunnen worden herleid tot het eigen onderzoek en de diagnostische overwegingen van Trompenaars en Ligthart. Dit rapport is wat betreft deze onderdelen van de FML, gelet hierop, dan ook niet concludent. De verwijzing van appellant in hoger beroep naar de tussenuitspraak van 15 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1205, baat hem evenmin. De Raad onderschrijft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens rapport van 22 juni 2015 in reactie op het aanvullend hoger beroepschrift van 12 juni 2015. Deze reactie houdt in dat, anders dan in die uitspraak, in het onderhavige geval in het expertiseverslag geen belangrijke informatie is gemist die wel in het multidisciplinair rapport is opgenomen.

4.3.4.

Hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3.3 leidt tot de conclusie dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het multidisciplinair rapport niet noopt tot het verder aanscherpen van de FML. Terecht heeft zij dan ook aan het multidisciplinair rapport geen doorslaggevend gewicht toegekend.

4.4.

De rechtbank wordt voorts gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aanvallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek van appellant tot veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek van appellant tot veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding

af.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2015.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) N. van Rooijen

AP