Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
13/4597 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de WAO. De conclusie kan niet worden getrokken dat de klachten op grond waarvan appellant tot 10 februari 2004 een WAO-uitkering ontving, voor 10 februari 2009 zijn toegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4597 WAO

Datum uitspraak: 7 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

16 juli 2013, 13/195 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Leenders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. K. Aslan, advocaat en kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Tevens was

A. Kabaktepe aanwezig als tolk in de Turkse taal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Knigge.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft met ingang van 28 juni 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Bij besluit van 9 december 2003 is deze uitkering met ingang van 10 februari 2004 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% was. Het bezwaar tegen dit besluit is op 2 juli 2004 ongegrond verklaard.

1.2.1.

Appellant heeft zich met ingang van 11 december 2006 ziek gemeld met diverse klachten, waaronder schouderklachten. Bij besluit van 26 mei 2008 is appellant door het Uwv met ingang van 2 juni 2008 hersteld verklaard op grond van de Ziektewet. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 29 oktober 2008 ongegrond verklaard.

1.2.2.

Op 18 augustus 2008 heeft appellant zich wederom ziek gemeld wegens schouderklachten. Hij is na onderzoek door een verzekeringsarts van het Uwv met ingang van 11 februari 2009 hersteld verklaard. Het bezwaar tegen dit besluit is door het UWV op

8 juni 2009 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij zijn uitspraak van 21 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BT2427) bevestigd de uitspraak van de rechtbank Almelo van

20 oktober 2010, 09/721, waarbij het beroep tegen het laatstgenoemde besluit ongegrond is verklaard.

1.2.3.

Appellant heeft zich met ingang van 1 november 2009 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 14 januari 2010 is zijn aanvraag om een uitkering op grond van de WAO met toepassing van een verkorte wachttijd van vier weken afgewezen. De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 20 april 2011, 10/549, ongegrond verklaard het beroep tegen het besluit van 15 april 2010, waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van

14 januari 2010 ongegrond is verklaard,.

1.3.

Appellant heeft zich met ingang van 1 april 2012 andermaal toegenomen arbeidsongeschikt gemeld.

1.4.

Bij besluit van 1 augustus 2012 is vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de WAO omdat het moment waarop de arbeidsongeschiktheid is aangevangen niet is gelegen binnen 5 jaar na 10 februari 2004, de datum van intrekking van de in 1.1 vermelde

WAO-uitkering,.

1.5.

Appellant heeft in bezwaar tegen het in 1.4 vermelde besluit aangevoerd dat er al voor 10 februari 2009 sprake was van toename van zijn arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding van zijn bezwaar heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze verzekeringsarts concludeert in een rapport van 7 december 2012 dat er geen medische gronden zijn om toegenomen arbeidsongeschiktheid in de periode binnen vijf jaar na de intrekking van de WAO-uitkering aan te nemen. Hij vermeldt daarbij dat de schouderklachten al lange tijd bestonden, in intensiteit wisselden en dat appellant ook in februari 2009 arbeidsgeschikt is bevonden voor de in 2004 geselecteerde functies. De psychische klachten zijn ook in de beoordeling in 2009 meegewogen en hebben destijds niet tot wijziging van de belastbaarheid geleid. Bovendien betreft het klachten die na de intrekking van de

WAO-uitkering in 2004 zijn ontstaan en van andere aard en origine zijn dan de psychische klachten vermeld in een rapport van de verzekeringsarts van 20 juni 2001.

1.6.

Bij besluit van 12 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de aanvraag van appellant van 20 juli 2012 aangemerkt dient te worden als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de in 1.2.3 vermelde uitspraak van de rechtbank Almelo die betrekking heeft op gestelde toename van de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 november 2009, is overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat die toename binnen vijf jaar na de datum van de intrekking van zijn WAO-uitkering is ingetreden. Daarbij heeft appellant volgens de rechtbank geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb aangevoerd die niet eerder aangevoerd hadden kunnen worden.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan de datum 10 februari 2009. Hij wijst er daarbij op dat ten tijde van de intrekking van de WAO-uitkering bij hem sprake was van schouderklachten, rugklachten en psychische klachten, welke klachten in de loop der tijd steeds zijn toegenomen. Uit het door hem in de bezwaarfase ingebrachte huisartsenjournaal van 20 mei 2010 komt onder meer naar voren dat hij op 9 juli 2007 melding heeft gemaakt van toename van zijn (rechter)schouderklachten en dat hij wegens een PTSS en een gegeneraliseerde angststoornis is verwezen naar de Stichting Adhesie. Hij wijst er voorts op dat uit rapporten van zijn behandelend psycholoog uit 2009 blijkt dat hij vanaf 24 februari 2009 onder behandeling was en dat er bij hem sprake was van een paniekstoornis met agorafobie; de angst bestond toen sinds twee jaar en is ontstaan nadat er bij hem diabetes en verhoogd cholesterol is geconstateerd. Ook uit het huisartsenjournaal van 11 april 2013 kan volgens appellant worden afgeleid dat er voor 10 februari 2009 sprake was van een toename van klachten. De rechtbank had de rapporten moeten aanmerken als nieuwe feiten en/of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daarbij is de uitspraak volgens appellant onzorgvuldig omdat de rechtbank de stukken die appellant heeft ingebracht met betrekking tot de WSW niet in de beoordeling heeft betrokken. Appellant heeft voorts in hoger beroep een rapport van zijn behandelend psychiater Kaya van 9 augustus 2012 ingebracht en stelt dat de in dit rapport gestelde diagnose van paniekstoornis met agorafobie, somatoforme stoornis NAO en gegeneraliseerde angststoornis reeds voor de datum van dat rapport op appellant van toepassing was en gezien moet worden als nieuw feit en/of omstandigheid.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

De rechtbank heeft de melding van appellant van toename van arbeidsongeschiktheid van 1 april 2012 ten onrechte aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. In de procedure waarop de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 april 2011 betrekking heeft, was immers een toename van arbeidsongeschiktheid gesteld per 1 november 2009. Appellant heeft in de onderhavige procedure een toename van zijn arbeidsongeschiktheid geclaimd voorafgaand aan het aflopen van de termijn van vijf jaar na intrekking van zijn WAO-uitkering met ingang van 10 februari 2004, namelijk in en na 2007. Het beroep van appellant is dan ook ten onrechte ongegrond verklaard om de reden dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Om deze reden slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Beoordeeld zal vervolgens worden of het bestreden besluit desalniettemin stand kan houden.

4.2.

Artikel 43a, eerste lid, van de WAO houdt, voor zover hier van belang, in dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatvindt aan degene wiens uitkering ingevolge de WAO vanwege afgenomen arbeidsongeschiktheid is ingetrokken, indien hij binnen vijf jaar na de datum van intrekking arbeidsongeschikt wordt, deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten en deze arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Daarbij is in vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 mei 2013, 11/6233 WAO tot uitdrukking gebracht dat de medische beperkingen die bestonden ten tijde van de intrekking van de WAO-uitkering bepalend zijn. Er dient dus bij de toepassing van artikel 43a van de WAO te worden bezien of de gestelde in 2007 en nadien toegenomen beperkingen, voortkomen uit dezelfde oorzaak als de beperkingen die golden op 10 februari 2004, de dag met ingang waarvan de WAO-uitkering van appellant is ingetrokken.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat er sprake is van een toename van psychische klachten nadat hij in 2006 diabetes en hypertensie heeft gekregen. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij ten tijde van een herbeoordeling in het kader van de WAO in 2001 ook al psychische klachten had. Nu in het rapport van de verzekeringsarts van 8 september 2003, dat ten grondslag ligt aan de intrekking van de WAO-uitkering, geen sprake (meer) was van psychische klachten en ook in de aan de intrekking ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) geen beperkingen (meer) zijn opgenomen wegens psychische problematiek, kunnen de door appellant gestelde psychische klachten niet In verband kunnen worden gebracht met de voor appellant ten tijde van de intrekking geldende beperkingen.

4.4.

Het Uwv heeft voorts met juistheid verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 december 2012. In dat rapport is erop gewezen dat de schouderklachten van appellant een wisselend beloop hadden. Deze verzekeringsarts heeft in dit rapport met betrekking tot de hersteldverklaring met ingang van 11 februari 2009, na een periode van arbeidsongeschiktheid wegens zijn schouderklachten, opgemerkt dat de verzekeringsarts destijds vaststelde dat de in de in 2003 opgestelde FML opgenomen beperkingen nog steeds golden. Appellant heeft, zoals vermeld in 1.2.2, met betrekking tot deze hersteldverklaring, tot en met de Raad geprocedeerd. De informatie van de huisarts die thans door appellant is ingebracht over zijn schouderklachten is geen andere informatie dan de informatie die in die procedure is overgelegd. In die informatie, bijvoorbeeld over een spreekuurcontact in juli 2007, is geen sprake van toename van schouderklachten maar van een persisteren van die klachten. Uit de stukken die appellant heeft overgelegd over zijn

re-integratietraject en de WSW-indicatie in 2009 kan voorts niet de conclusie worden getrokken dat de klachten op grond waarvan appellant tot 10 februari 2004 een

WAO-uitkering ontving, voor 10 februari 2009 zijn toegenomen.

4.5.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 houdt het bestreden besluit in rechte stand zodat het beroep daartegen ongegrond verklaard dient te worden. Hieruit volgt tevens dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met verleende rechtsbijstand in hoger beroep tot een bedrag van € 980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak tot een bedrag van € 980,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 118,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2015.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) N. van Rooijen

AP