Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2873

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
14/17 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. Zowel de vrijval van de Fiscale Oudedagsreserve als de herinvesteringsreserve zijn componenten die in respectievelijk 2008 en 2009 tot de fiscale winst dienen te worden gerekend. Geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken. Appellant heeft, met in achtname van de fiscale regelgeving, keuzes gemaakt met betrekking tot de FOR en het door hem verkochte melkquotum en kan, ook voor de in deze procedure te beantwoorden vraag, aan die keuzes gehouden worden.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/307
RSV 2015/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/17 WAZ

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

21 november 2013, 13/2238 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2015. Appellant is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.W. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op

1 augustus 2009 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

1.2.

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het Uwv beslist dat de uitkering over de jaren 2008 en 2009 niet wordt uitbetaald in verband met inkomsten uit arbeid.

1.3.

Bij besluit van 8 maart 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2012 gegrond verklaard, en de uitkering over 2008 alsnog uitbetaald naar de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat bij het beantwoorden van de vraag of inkomsten van een zelfstandige als inkomen uit arbeid in het kader van artikel 58 van de WAZ moeten worden aangemerkt, in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en door de fiscus gehonoreerde - keuze. Van die keuze kan slechts worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. De vrijval van de Fiscale Oudedagsreserve (FOR) in 2008 moet gerekend worden tot de fiscale nettowinst. Er is derhalve sprake van inkomsten uit arbeid. Hetzelfde geldt voor de in 2009 vrijgevallen herinvesteringsreserve, welke is ontstaan door de verkoop van een melkquotum in 2006, die door appellant als herinvesteringsreserve is geboekt.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verplichte vrijval uit de FOR een bijzondere bate is en geen verband houdt met arbeid. In zijn mate van arbeidsongeschiktheid is niets veranderd. Hetzelfde geldt voor de vrijgevallen herinvesteringsreserve. Bovendien is die reserve vrijgevallen in december 2009 toen appellant geen WAZ-uitkering meer ontving. Tot 1 augustus 2009 is het bedrijf van appellant verliesgevend geweest.

4.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Zowel de vrijval van de FOR als de herinvesteringsreserve zijn componenten die in respectievelijk 2008 en 2009 tot de fiscale winst dienen te worden gerekend. Conform vaste jurisprudentie van de Raad, waar de rechtbank ook naar verwezen heeft, dienen zij dan ook tot de inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 58 van de WAZ te worden gerekend. Voor bijzondere omstandigheden om van dat uitgangspunt af te wijken ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding. Appellant heeft, met innachtname van de fiscale regelgeving, keuzes gemaakt met betrekking tot de FOR en het door hem verkochte melkquotum en kan, ook voor de in deze procedure te beantwoorden vraag, aan die keuzes gehouden worden.

4.3.

Over de grond dat de herinvesteringsreserve pas is vrijgevallen op een moment dat appellant geen WAZ-uitkering meer ontving, namelijk in december 2009, overweegt de Raad het volgende. Conform vaste rechtspraak dient voor de vaststelling van het inkomen uit arbeid van een zelfstandige te worden uitgegaan van de nettowinst in fiscale zin. Aan de positie van een zelfstandige is, anders dan aan die van de werknemer in loondienst, in het algemeen inherent dat de inkomsten die hij feitelijk gedurende het boekjaar geniet, niet in dat boekjaar van week tot week, of van maand tot maand, met de vereiste exactheid komen vast te staan, maar dat zij pas na enige tijd, na afloop van het boekjaar, aan de hand van de jaarstukken kunnen worden vastgesteld. De door een zelfstandige in een bepaald boekjaar behaalde inkomsten dienen in beginsel gelijkelijk te worden toegerekend aan alle samenstellende tijdvakken van dat jaar. Terecht heeft het Uwv dan ook de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in 2009 bepaald op grond van de fiscale winst in 2009. Dat de vrijval van de herinvesteringsreserve feitelijk is gegenereerd in de laatste maand van 2009 doet daar niet aan af. Het vaststellen van het inkomen per boekjaar strekt er mede toe om het risico van positieve en negatieve uitschieters in bepaalde maanden over een grotere periode te spreiden. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 26 september 2000, 97/2438 AAW en 98/7868 AAW, gepubliceerd in USZ 2000/301.

4.4.

Het hoger beroep kan niet slagen.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en E. Dijt en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2015.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M. Crum

AP