Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2869

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
14/3181 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA-uitkering. Inkomensverlies 37,62%. Misofonie. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De geduide functies kennen geen van alle een geluidsbelasting die boven 80 dB uitkomt. Daarmee wordt gebleven binnen de in de FML op dit punt voor appellant vastgelegde grens, erop neerkomend dat hij niet kan werken in een omgeving waarin het omgevingslawaai meer bedraagt dan 80 dB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3181 WIA

Datum uitspraak: 21 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 april 2014, 13/1647 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J.A. Vis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2015. Appellant is verschenen,

bijgestaan door mr. Vis. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als systeembeheerder ICT in een omvang van 32 uur per week. Op 23 november 2010 heeft hij zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld met verschillende lichamelijke en psychische klachten.

1.2.

Bij besluit van 12 november 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met

ingang van 20 november 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Dat besluit berust op de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% is.

1.3.

Bij besluit van 25 februari 2013 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van

12 november 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 29 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar alsnog gegrond verklaard en vastgesteld dat voor appellant met ingang van 20 november 2012 recht is

ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Het bestreden besluit berust, blijkens de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige en

arbeidskundige rapporten, op een beoordeling volgens welke appellant, gegeven de voor hem vastgestelde beperkingen van lichamelijke en psychische aard, met diverse loondienstfuncties nog een zodanig inkomen kan verwerven dat ten opzichte van het maatgevende inkomen sprake is van een inkomensverlies van 37,62%.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

25 februari 2013 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.3.

Over de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat appellant bekend is met misofonie (haat van geluid) en angst- en

paniekklachten. Appellant ervaart ook stress en spanning, mede als gevolg van belastende

privé-omstandigheden. Appellant wordt door de verzekeringsarts aangewezen geacht op

stressarm werk in een prikkelarme omgeving. Een solitaire functie zou het meest passend zijn. Een indicatie voor een urenbeperking wordt niet aanwezig geacht. Naast de resultaten van eigen medisch onderzoek, heeft de verzekeringsarts zich gebaseerd op informatie van

cognitief gedragstherapeut A. de Roo. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich

kunnen verenigen met het primaire medische oordeel.

2.4.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het medische onderzoek onzorgvuldig is geweest. Voorts heeft de rechtbank zich met de conclusies van de verzekeringsartsen kunnen verenigen. Aan de subjectieve beleving van appellant betreffende de klachten die hij ervaart als gevolg van misofonie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie worden verbonden dat sprake is van verdergaande beperkingen. Het lag op de weg van appellant om zijn stellingen op dit punt met nadere medische

informatie te onderbouwen, wat hij niet heeft gedaan.

2.5.

Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de

rechtbank overwogen dat appellant in beroep heeft aangevoerd dat de bij de schatting

gebruikte functies voor hem niet haalbaar zijn gelet op zijn medische beperkingen, in het

bijzonder de beperkingen die verband houden met de misofonie. De arbeidsdeskundige

bezwaar en beroep is in de heroverweging in bezwaar afgeweken van het primaire

arbeidskundige oordeel, in die zin dat hij twee van de door de arbeidsdeskundige

geselecteerde functies heeft laten vervallen, omdat in de werkomgeving waar deze functies worden verricht te veel lawaai voorkomt (80dB of meer), terwijl de verzekeringsarts appellant hiervoor beperkt heeft geacht.

2.6.

Bij de functies die uiteindelijk, als voor appellant passend, aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gaat het weliswaar om productiematige functies die met anderen worden

uitgevoerd, maar die functies zijn volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zo

ingericht dat sprake is van een eigen deeltaak binnen het gehele productieproces. Er is geen sprake van afhankelijkheid van samenwerking met collega’s om tot een goed

productieresultaat te komen in deze functies. De drie functies kennen een omgevingslawaai van minder dan 80 dB.

2.7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep

voldoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies, gelet op de beperkingen van

appellant, voor hem passend zijn te achten.

2.8.

Ook heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts buiten zijn eigen vakgebied is getreden - en zich op het gebied van de arbeidsdeskundige heeft begeven - met de opmerking dat appellant is aangewezen op stressarm werk in een prikkelarme omgeving en dat een

solitaire functie het meest passend is voor appellant. De rechtbank heeft hier verder geen

consequenties aan verbonden, overwegende dat zij geen redenen heeft te twijfelen aan de

beperkingen die voor appellant zijn vastgesteld en evenmin aan de passendheid van de

functies.

3.1.

Het hoger beroep van appellant heeft uitsluitend betrekking op de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen het bestreden besluit.

3.2.

Appellant acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank aan de ene kant vaststelt dat de

verzekeringsarts buiten het eigen vakgebied is getreden met de opmerking dat appellant is aangewezen op stressarm werk in een prikkelarme omgeving en dat een solitaire functie voor hem het meest passend is, maar aan de andere kant aan die vaststelling geen consequenties verbindt. Door appellant wordt daaraan toegevoegd dat hij overigens van mening is dat de

verzekeringsarts met de desbetreffende opmerking niet buiten het eigen vakgebied is getreden, maar daarmee slechts de beperkingen van appellant nader heeft willen omschrijven.

3.3.

Appellant is van mening dat de bij de schatting gebruikte functies voor hem niet geschikt zijn, wegens de geluiden van de collega’s waarmee hij in die functies wordt geconfronteerd. Hij reageert heftig op dergelijke geluiden.

3.4.

Omdat er voor hem geen passende functies zijn, verzoekt appellant te bepalen dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per de datum in geding op 80 tot 100% wordt gesteld.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Betreffende de onder 3.2 weergegeven beroepsgrond van appellant overweegt de Raad in de eerste plaats, onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, dat beide partijen het erover eens zijn dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts met de betreffende opmerking buiten het eigen vakgebied is getreden. Zowel de gemachtigde van appellant als de gemachtigde van het Uwv heeft expliciet verklaard dat de betreffende opmerking van de verzekeringsarts aldus moet worden verstaan dat die arts daarmee de

beperkingen van appellant nader heeft willen omschrijven, hetgeen volledig binnen de eigen medische expertise van de verzekeringsarts valt. Er is geen grond om het ervoor te houden dat de verzekeringsarts zich daarmee op het vakgebied van de arbeidsdeskundige heeft begeven. De Raad kan zich daarmee verenigen en komt dan ook niet toe aan een bespreking van de grond van appellant dat de rechtbank aan haar overweging op dit punt ten onrechte geen

consequenties heeft verbonden.

4.3.

Voor zover appellant de opvatting is toegedaan dat de door de verzekeringsarts voor hem van toepassing geachte beperking dat hij is aangewezen op stressarm werk in een prikkelarme omgeving en dat een solitaire functie voor hem het meest passend is, niet juist dan wel

onvoldoende is vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), kan de Raad appellant in die opvatting niet volgen. In zijn verweerschrift heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 juli 2014, uiteengezet dat de

beperking voor stressarm werk in de FML is verwoord in de items 1.9.5

(voorspelbare werksituatie), 1.9.6 (werksituatie zonder veelvuldige storingen) en 1.9.7 (werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken). Een prikkelvrije omgeving is neergelegd in de items 1.9.4 (werk waarbij hij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen), 2.8.1

(omgaan met conflicten), 2.12.1 (werk waarin meestal weinig of geen direct contact met

patiënten of hulpbehoevenden is vereist) en 2.12.5 (werk dat geen leidinggevende aspecten bevat). Het aspect solitaire functie is vastgelegd in item 2.12.4 (werk waarin meestal geen direct contact met collega’s is vereist). De Raad acht die uiteenzetting overtuigend en is, mede gelet daarop, van oordeel dat de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts voldoende en juist zijn verwoord in de FML.

4.4.

Voor zover appellant staande houdt dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is

aangenomen, in het bijzonder in verband met de misofonie, stelt de Raad vast dat appellant die stelling ook in hoger beroep niet nader aan de hand van objectief-medische gegevens heeft onderbouwd. Ook voor het overige ontbreken objectief-medische aanknopingspunten voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellant met de FML van 1 november 2012 is overschat.

4.5.

Ten slotte verenigt de Raad zich in navolging van de rechtbank ook met het standpunt van het Uwv dat de functies, zoals deze uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, voor appellant passend zijn te achten. Naar aanleiding van wat appellant daarover heeft

aangevoerd, acht de Raad hierbij met name van belang dat de functies geen van alle een

geluidsbelasting kennen die boven 80 dB uitkomt. Daarmee wordt gebleven binnen de in de FML op dit punt voor appellant vastgelegde grens, erop neerkomend dat hij niet kan werken in een omgeving waarin het omgevingslawaai meer bedraagt dan 80 dB. Ook voor het overige geldt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, gegeven de voor appellant van toepassing geachte beperkingen, de passendheid van de functies toereikend heeft toegelicht.

4.6.

Uit de overwegingen onder 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) K. de Jong

HD