Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/4771 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering van de norm voor een uitwonende studerende naar de norm voor een thuiswonende studerende. Terugvordering. Niet woonachtig op gba-adres. Geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4771 WSF

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 juli 2014, 13/533 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2015. Voor appellante is mr. Janszen verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft bij besluit van 22 oktober 2011 aan appellante voor het jaar 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellante heeft de minister op

9 oktober 2012 gemeld dat haar woonsituatie vanaf 1 oktober 2012 is gewijzigd in inwonend. Daarop heeft de minister bij besluit van 23 oktober 2012 aan appellante vanaf oktober 2012 studiefinanciering toegekend, berekend naar de norm voor een thuiswonende studerende. In de periode van 19 februari 2009 tot 9 oktober 2012 staat appellante in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) ingeschreven onder het adres [adres]

[adres] . Per 9 oktober 2012 staat appellante in de gba ingeschreven onder hetzelfde adres als haar ouders.

1.2.

Op 8 oktober 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de minister een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de gba was ingeschreven om te controleren of zij op dit adres woonachtig is. Van het huisbezoek is op 12 oktober 2012 een rapport opgemaakt. Daarin staat dat de hoofdbewoonster tegenover de controleurs heeft verklaard dat appellante vorige week is verhuisd, dat er hier van appellante geen spullen meer zijn en dat appellante nu weer bij haar ouders woont. Volgens de hoofdbewoonster had appellante het niet naar haar zin op het gba-adres.

1.3.

De minister heeft op basis van het onder 1.2 genoemde rapport de over de periode januari 2012 tot en met september 2012 aan appellante toegekende studiefinanciering bij besluit van 16 november 2012 herzien, in die zin dat appellante vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het over deze periode aan appellante te veel betaalde bedrag van

€ 1.535,58 is daarbij van haar teruggevorderd. Tevens heeft de minister naar aanleiding van dat rapport bij brief van 23 november 2012 aan appellante meegedeeld dat hij voornemens is haar een boete op te leggen van € 853,10.

1.4.

Bij brief van 29 november 2012 heeft appellante gereageerd op het voornemen van de minister tot het opleggen van een boete. Deze brief is door de minister tevens opgevat als een bezwaarschrift tegen het besluit van 16 november 2012. Appellante stelt dat zij tot en met

2 oktober 2012 woonachtig is geweest op het adres [adres] . Zij geeft aan dat zij in verband met privé omstandigheden genoodzaakt was te verhuizen naar het ouderlijk adres. Doordat zij met spoed heeft moeten verhuizen, en gezien de omstandigheden waarin zij op dat moment verkeerde, heeft zij de verhuizing pas een week later kunnen doorgeven aan de gemeente.

1.5.

Bij besluit van 14 februari 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 november 2012 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de minister gesteld dat uit de op 8 oktober 2012 verrichte controle, en het gestelde in het bezwaarschrift, is gebleken dat appellante op het moment van de controle niet woonde op haar toenmalige gba-adres. Voor wat betreft de periode waarover de herziening heeft plaatsgevonden is vermeld dat wanneer een student niet woont op het gba-adres, herziening van de uitwonendenbeurs plaatsvindt uiterlijk tot de datum van inschrijving op het laatst bekende adres. In de situatie van appellante is de uitwonendenbeurs terecht ingetrokken vanaf januari 2012.

2.1.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante het volgende aangevoerd. Zij is op 3 oktober 2012 verhuisd en heeft op 9 oktober 2012 haar adreswijziging doorgegeven. Dit is tijdig geschied omdat op grond van artikel 1.2 van de Wsf 2000 de toestand op de eerste dag van de maand bepalend is. Daarnaast heeft zij voldaan aan artikel 9.2, tweede lid, van de Wsf 2000 nu zij binnen een redelijk te achten termijn van één maand haar adreswijziging aan de minister heeft doorgegeven.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat een beroep op artikel 9.2, tweede lid, van de Wsf 2000 appellante niet kan baten omdat dit lid ziet op een door de minister te stellen redelijke termijn. Op grond van artikel 9.2, derde lid, van de Wsf 2000 had appellante de minister onmiddellijk dienen te informeren over haar verhuizing. Dat haar dit vanwege drukte is ontschoten maakt dit niet anders. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister terecht per januari 2012 tot herziening is overgegaan omdat appellante niet het onomstotelijke bewijs heeft geleverd waarmee het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 onjuist is gebleken. Appellante heeft op geen enkele wijze aangetoond dat zij tot 3 oktober 2012 feitelijk woonde op haar gba-adres. De enkele verklaring van de hoofdbewoonster is daartoe onvoldoende.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij is van mening dat ten onrechte door de rechtbank is geoordeeld dat de herziening en terugvordering in rechte stand kunnen houden omdat zij niet voldoende heeft aangetoond dat zij op 3 oktober 2012 is verhuisd en zij die verhuizing niet tijdig heeft doorgegeven. Daartoe wordt gesteld dat zowel de verhuizing als de aangifte daarvan enerzijds worden bevestigd door verschillende bronnen en anderzijds in een logisch onderling verband staan, terwijl een toevallig en summier onderzoek door de minister in diezelfde maand niet zonder nadere motivatie het vermoeden kan rechtvaardigen dat er eerder zou zijn verhuisd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het staat de minister vrij achteraf te beoordelen of de op de aanvraag van de studerende toegekende studiefinanciering naar de norm van een uitwonende studerende rechtmatig is geweest. Eén van de voorwaarden voor een rechtmatige toekenning van een uitwonendenbeurs is dat de studerende feitelijk woont op zijn gba-adres. Ter controle of appellante aan die voorwaarde voldeed heeft de minister op 8 oktober 2012 een huisbezoek kunnen afleggen op het adres waaronder appellante op dat moment in de gba was ingeschreven, zijnde het adres [adres] . Eerst vanaf 9 oktober 2012 staat appellante in de gba immers niet langer ingeschreven onder dat adres. Voorts heeft appellante eerst op 9 oktober 2012 aan de minister doorgegeven dat haar woonsituatie is gewijzigd van uitwonend in thuiswonend.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde van het huisbezoek op 8 oktober 2012 niet woonde op het adres waaronder zij op dat moment stond ingeschreven in de gba. Daarmee staat vast dat zij niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000. Deze vaststelling leidt voor appellante, in aanmerking nemend de datum van inwerkingtreding van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, in beginsel tot een herziening van de studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende met ingang van 1 januari 2012.

4.4.

In zijn uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146 heeft de Raad geoordeeld dat de minister bij de toepassing van artikel 9.9 van de Wsf 2000 onder omstandigheden aanleiding moet zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Het gaat dan om de uitzonderlijke situatie waarin de studerende onomstotelijk bewijs heeft geleverd dat hij in (een deel van) de periode waarover tot herziening is overgegaan wel op het gecontroleerde adres woonachtig was. Anders dan appellante kennelijk meent rust de bewijslast, gelet op de uit artikel 9.9 van de Wsf 2000 voortvloeiende bewijslastverdeling, voor de periode voorafgaand aan de vaststelling dat niet sprake was van wonen op het gba-adres niet op de minister maar op haar.

4.5.

Appellante is er niet in geslaagd het verlangde bewijs te leveren. De verklaring van de hoofdbewoonster waaruit zou (kunnen) volgen dat appellante wel op het gba-adres heeft gewoond, is daarvoor volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4287) niet voldoende. Ook niet in samenhang bezien met de in hoger beroep overgelegde verklaringen van de ouders en oma van appellante. Aan deze verklaringen komt onvoldoende bewijskracht toe. Appellante heeft geen verifieerbare objectieve gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij tot 3 oktober 2012 wel op haar gba-adres heeft gewoond. De minister behoefde dan ook geen aanleiding te zien met toepassing van de hardheidsclausule af te zien van herziening over de periode voorafgaand aan de controle.

4.6.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente, zoals door appellante verzocht, is bij dit oordeel geen plaats.

5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) B. Fotchind

AP