Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/2559 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van eerste huur, administratie en woninginrichting. Algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Geen sprake van bijzondere omstandigheden. Verhuizing niet noodzakelijk. Reserveren voor de inrichtingskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2559 WWB

Datum uitspraak: 25 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 april 2014, 13/6343 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.I. L’Ghdas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Namens appellant is verschenen mr. L’Ghdas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. B.A. van Veenendaal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 21 mei 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft vanaf 29 april 2011 op een kamer op het adres [adres 1] te [woonplaats] gewoond. Op 16 juli 2013 heeft appellant een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van eerste huur, administratie en woninginrichting in verband met zijn verhuizing naar een woning op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Het college heeft bij besluit van 20 augustus 2013 de aanvraag van appellant afgewezen.

1.2.

Bij besluit van 7 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de verhuizing van appellant voorzienbaar was en dat hij heeft kunnen reserveren voor de door hem gevraagde kosten. Derhalve is geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB en de hierop gebaseerde beleidsvoorschriften.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De kosten waarvoor appellant bijstand heeft aangevraagd worden gerekend tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen

bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.2.

In paragraaf 9.5.9 van de door het college gehanteerde Werkvoorschriften van de gemeente Amsterdam - samengevat en voor zover van belang - is bepaald dat de kosten voor een verhuizing en woninginrichting niet voor bijstandsverlening in aanmerking komen. De wens om te verhuizen is geen bijzondere omstandigheid. Verhuizingen zijn voorzienbaar en voor de kosten die met een verhuizing en inrichting samenhangen zal dan ook vooraf gereserveerd moeten worden. Alleen in bijzondere situaties, waarbij sprake is van bijzondere medische of sociale redenen die een plotselinge verhuizing noodzakelijk maken, terwijl geen

beroep op een voorliggende voorziening mogelijk is, kan bijstand voor deze kosten worden verstrekt. Dit gedeelte van de werkvoorschriften is als een nadere uitwerking van het begrip bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB aan te merken indien het gaat om bijzondere bijstand voor kosten die verband houden met een verhuizing en woninginrichting.

4.3.

Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat zijn verhuizing niet voorzienbaar was. Hij heeft op 16 mei 2013 pas een urgentieverklaring verkregen waaraan de voorwaarde was verbonden dat hij binnen drie maanden en tien dagen een woning moest zien te vinden. Tussen het moment van de afgifte van de urgentie en het vinden van een woning zat slechts een periode van 1,5 maand. Appellant heeft er voorts op gewezen dat uit de door hem overgelegde rapportage van de GGD van 11 april 2013 blijkt dat voor zijn verhuizing een medische en sociale noodzaak bestond.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant met de door hem in beroep overgelegde (medische) stukken aannemelijk heeft gemaakt dat er een medische- en sociale urgentie voor zijn verhuizing was, maar dat uit diezelfde stukken ook blijkt dat deze urgentie reeds bestond vanaf juli/augustus 2011. Zo staat in de onder 4.3 genoemde GGD-rapportage vermeld dat ten opzichte van het vorige GGD-advies van 4 augustus 2011 de gezondheidsproblematiek van appellant medisch gezien ongewijzigd is en de urgentie derhalve gecontinueerd wordt. Voorts blijkt uit de bij dit advies overgelegde brief van de huisarts van 14 juli 2011 dat appellant op dat moment al op zoek was naar een nieuwe woning omdat hij op één kamer woonde en daar zijn kinderen niet kon ontvangen. Hieruit volgt dat niet kan worden gesteld dat sprake was van een onvoorziene en plotselinge verhuizing op grond waarvan de mogelijkheid tot reservering ontbrak.

4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB, zodat appellant geen recht heeft op bijzondere bijstand. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook terecht afgewezen.

4.6.

Gelet op 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) P.C. de Wit

HD