Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2861

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/3818 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van eerste huur, administratie en woninginrichting. Algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Geen sprake van bijzondere omstandigheden. Verhuizing niet noodzakelijk. Reserveren voor de inrichtingskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3818 WWB

Datum uitspraak: 25 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 juni 2014, 14/3345, (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Namaki, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Namaki. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.T.F.A. de Boer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op 21 maart 2014 verhuisd van de gemeente Nijmegen naar de gemeente Arnhem. Hij ontvangt sinds 1 april 2014 bijstand in de gemeente Arnhem op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2.

Op 31 maart 2014 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten ingediend.

1.3.

Bij besluit van 9 april 2014 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat de gevraagde voorziening behoort tot de normale dagelijkse bestaanskosten die appellant moet voldoen uit het inkomen. Appellant had hiervoor kunnen reserveren.

1.4.

Bij besluit van 1 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2014 ongegrond verklaard op de grond dat de verhuizing niet noodzakelijk was. Ter zitting bij de rechtbank heeft het college de motivering aangevuld in die zin dat de kosten weliswaar noodzakelijk zijn, maar de verhuizing niet noodzakelijk was en dat appellant niet heeft aangetoond dat hij geen reserveringscapaciteit had.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bijzondere bijstand moet worden verleend. Niet is gebleken dat de verhuizing noodzakelijk was en dat het niet mogelijk was voor appellant om te reserveren voor de inrichtingskosten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand heeft voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

4.2.

De kosten van woninginrichting behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit het ter beschikking staande inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.3.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

4.4.

Appellant heeft drie verklaringen van zijn huisarts overgelegd van 6 november 2012,

23 april 2013 en 26 mei 2014. Hierin verklaart de huisarts dat het voor appellant belastend is om in een kleine kamer in een huis met meerdere mensen te wonen vanwege zijn ernstige rugklachten, depressieve klachten en persoonlijkheidsstoornis. Appellant moet ook zijn kinderen - van 20 en 27 jaar oud - kunnen ontvangen in zijn huis. Bovendien is appellant vanwege een mishandelingsincident zeer angstig geworden in [plaatsnaam] . In zijn verklaring van 26 mei 2014 heeft de huisarts geconcludeerd dat de verhuizing naar [woonplaats] daarom medisch noodzakelijk dan wel zeer wenselijk was. Anders dan appellant meent, heeft hij hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was. De verklaringen van de huisarts bieden daartoe onvoldoende medische onderbouwing. Aannemelijk is slechts dat de verhuizing voor hem wenselijk was. De door appellant en zijn huisarts naar voren gebrachte omstandigheden zijn niet dusdanig bijzonder dat het college bijzondere bijstand had moeten verlenen. Niet is gebleken dat het wonen in het huis in [plaatsnaam] een onhoudbare situatie voor appellant opleverde. Het mishandelingsincident in [plaatsnaam] kan bovendien niet hebben geleid tot de verhuizing naar [woonplaats] , omdat dit pas na de verhuizing heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft dan ook op juiste gronden geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bijzondere bijstand verleend had moeten worden.

4.5.

Nu het college reeds op grond hiervan de aanvraag mocht afwijzen, behoeft de vraag of sprake was van voldoende capaciteit om te reserveren voor de inrichtingskosten geen bespreking.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.L. Meijer

HD