Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/2622 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Redelijke grond voor een huisbezoek. Hoofdverblijf niet op uitkeringsadres. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2622 WWB

Datum uitspraak: 25 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2014, 13/5561 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 8 augustus 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2.

Met ingang van 15 november 2012 staat appellant ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA, thans Basisregistratie Personen) op het adres [adres 1] te [woonplaats] . Op dit adres staan tevens [X] en [Y] ingeschreven.

1.3.

Op 5 maart 2013 heeft de Dienst Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam een mededeling van Werkplein Zuidoost ontvangen, dat post bestemd voor appellant en verstuurd naar het door hem opgegeven adres [adres 2] te [woonplaats] retour is gekomen.

1.4.

Op 27 maart 2013 belt de dochter van appellant naar DWI en deelt mede dat haar vader sinds november 2012 een nieuw adres heeft, [adres 1] te [woonplaats] (het adres).

1.5.

Op 9 april 2013 hebben handhavingsspecialisten van DWI geprobeerd een huisbezoek af te leggen aan het adres. Niemand deed open. De handhavingsspecialisten hebben appellant vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 10 april 2013.

1.6.

Bij besluit van 10 april 2013 heeft het college de bijstand opgeschort op de grond dat appellant niet op het gesprek van 10 april 2013 is verschenen.

1.7.

Op 12 april 2013 heeft een gesprek tussen appellant en handhavingsspecialisten op het kantoor van DWI plaatsgevonden. Appellant heeft verklaard dat hij op het adres

[adres 1] een eigen kamer heeft en de meneer en mevrouw die tevens op het adres wonen in één kamer slapen. Verder heeft appellant verteld dat hij een woning aan de [adres 3] te [woonplaats] toegewezen heeft gekregen van de woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging] . Hij kan daar deze maand al intrekken. Zijn kleding ligt op het adres, zijn administratie ligt bij zijn dochter, want zij regelt dit. Hij slaapt elke dag op het adres. Hij heeft een sleutel van de woning.

1.8.

Bij besluit van 15 april 2013 heeft het college het recht op bijstand ongewijzigd voortgezet. Uit het rapport van bevindingen van DWI van 12 april 2013 blijkt dat de handhavingsspecialisten een huisbezoek op dat moment niet noodzakelijk achtten omdat appellant dezelfde maand nog zou verhuizen naar een eigen woning. Na drie maanden zou opnieuw onderzoek worden gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellant.

1.9.

Op 8 juli 2013 hebben handhavingsspecialisten van DWI opnieuw een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. Appellant stond op dat moment nog steeds ingeschreven in de GBA op het adres. De handhavingsspecialisten hebben appellant uitgenodigd voor een gesprek op 9 juli 2013.

1.10.

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft het college de bijstand van appellant opgeschort op de grond dat hij niet is verschenen op het gesprek.

1.11.

Op 11 juli 2013 heeft een gesprek tussen appellant en handhavingsspecialisten op het kantoor van DWI plaatsgevonden. Appellant heeft verklaard dat hij vanwege betalingsproblemen de beginnota van [naam woningbouwvereniging] niet kon voldoen en daarom niet op het nieuwe adres kon gaan wonen.

1.12.

Aansluitend aan het gesprek hebben handhavingsspecialisten van DWI een huisbezoek afgelegd aan het adres. Tijdens het huisbezoek heeft appellant verklaard dat hij in de slaapkamer slaapt en soms op de bank als de zoon van [Y] er niet is. Appellant refereert aan [Y] als ‘zijn zus’. De handhavingsspecialisten hebben poststukken van verschillende personen aangetroffen, van wie appellant niet weet wie dat zijn. Desgevraagd kan appellant de oplader van zijn telefoon niet vinden en op de vraag hoe hij zijn telefoon oplaadt, antwoordt hij: ‘ja gewoon’. Verder verklaart appellant dat zijn kleding in de kledingkast in de slaapkamer ligt. Wanneer appellant geconfronteerd wordt met de omstandigheid dat de spijkerbroeken als hij ze voor zich houdt in de breedte enkele maten groter zijn en de broekspijpen ongeveer 30 centimeter langer zijn, verklaart hij dat deze toch van hem zijn. Wanneer appellant gevraagd wordt zijn kleding in het hanggedeelte te tonen, constateren de handhavingsspecialisten dat dit allemaal dameskleding is. De douche- en verzorgingsproducten in de badkamer zijn alleen voor dames. Appellant verklaart dat hij de spullen van zijn zus gebruikt. Appellant geeft aan dat de koelkast halfvol is en er brood en cola inligt. Wanneer een van de handhavingsspecialisten de koelkast opendoet, blijkt deze helemaal vol te zitten. Appellant verklaart dat hij niet zou hebben gezegd dat hij een eigen kamer had en dat hij wel heeft gezegd bij zijn zus en haar zoon te wonen. Uit nader onderzoek volgt dat [Y] niet de zus van appellant is.

1.13.

Bij besluit van 12 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 september 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 11 juli 2013 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het adres. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat geen redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek en dat hij wel woont op het adres.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.2.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.3.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek aanwezig was. Uit informatie van de GBA volgt dat op het adres van appellant nog twee andere personen wonen. Appellant heeft tijdens het gesprek op

12 april 2013 verklaard dat de man en vrouw, dit zijn [Y] en haar zoon, in het tweekamerappartement één kamer hebben en dat hij één kamer had. Op grond van deze omstandigheden mocht het college twijfelen aan de juistheid van de door appellant verstrekte informatie over de woon- en leefsituatie op het adres. Nu een redelijke grond aanwezig was om een huisbezoek af te leggen, mocht het college de bevindingen hiervan aan de besluitvorming ten grondslag leggen.

4.4.

De stelling van appellant dat hij wel woont op het adres vindt geen steun in de bevindingen van het huisbezoek. Appellant heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over in welke kamer hij slaapt, welke personen in het huis wonen en de aanwezigheid van zijn kleding. Verder hebben de handhavingsspecialisten tijdens het huisbezoek geen persoonlijke verzorgingsproducten van appellant aangetroffen in de woning, weet appellant niet waar zijn telefoonoplader ligt en welke spullen verder in het huis liggen. De overgelegde verklaring van [Y] van 27 augustus 2013 doet hier niet aan af, alleen al niet omdat deze niet is ondertekend en dateert van na de besluitvorming.

4.5.

Het college heeft terecht geconcludeerd dat appellant niet op het adres woont en dat appellant door daarvan geen melding te maken de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu het recht op bijstand als gevolg hiervan niet kon worden vastgesteld mocht het college de bijstand intrekken.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.L. Meijer

HD