Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
13/6741 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mede terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Geen dringende reden om van verdere invordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6741 WWB

Datum uitspraak: 25 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

5 december 2013, 13/2256 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 14 juli 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 18 augustus 2004 heeft het college de bijstand van [X]

( [X] ) met ingang van 4 november 2002 ingetrokken. Bij besluit van dezelfde datum heeft het college de aan [X] over de periode van 4 november 2002 tot 1 juli 2004 betaalde kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 17.975,31 mede van appellant teruggevorderd. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant en [X] vanaf 4 november 2002 een gezamenlijke huishouding voeren waarvan [X] bij het college geen melding heeft gemaakt.

1.2.

Bij brief van 11 oktober 2012 hebben appellant en [X] het college verzocht om kwijtschelding van de nog openstaande vorderingen, waaronder de onder 1.1 genoemde (rest)vordering.

1.3.

Bij besluit van 28 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 maart 2013 (bestreden besluit), heeft het college dat verzoek afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de vordering is ontstaan door verwijtbaar gedrag, te weten het schenden van de inlichtingenverplichting, en dat de vordering daarom niet wordt kwijtgescholden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 58 van de Wet werk en bijstand (WWB) (tekst tot 1 januari 2013) kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. Het gaat daarbij

- naar de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever - om een discretionaire bevoegdheid van het college. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3647) ligt de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering daarin besloten.

4.2.

Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het college de Beleidsregels Terugvordering Apeldoorn WWB, Ioaw en Ioaz (Beleidsregels) vastgesteld en gepubliceerd. Ingevolge artikel 17 van de Beleidsregels, voor zover van belang, kan het college op verzoek van de belanghebbende besluiten van verdere terugvordering af te zien indien de belanghebbende gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Ingevolge artikel 18, aanhef en onder a, van de Beleidsregels ziet het college niet af van (verdere) invordering indien de terugvordering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende. In afwijking van dit artikellid kan het college ingevolge artikel 19 van de Beleidsregels besluiten de vordering kwijt te schelden indien daarvoor een dringende reden aanwezig is.

4.3.

Aan het (mede)terugvorderingsbesluit waarop de nog openstaande vordering van appellant betrekking heeft, ligt het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten grondslag. Reeds omdat schending van de inlichtingenverplichting valt onder verwijtbaar gedrag in de zin van artikel 18, aanhef en onder a, van de Beleidsregels kan de beroepsgrond dat de vordering niet door verwijtbaar gedrag is ontstaan niet slagen.

4.4.

In de door appellant gestelde psychische problemen van [X] en de uitzichtloze slechte financiële situatie van hen beiden heeft het college terecht geen aanleiding gezien om een dringende reden aan te nemen op grond waarvan in afwijking van de Beleidsregels van verdere invordering van de (rest)vordering van appellant dient te worden afgezien, reeds omdat deze gestelde problemen niet met stukken zijn onderbouwd. Voorts wordt bij de invordering rekening gehouden met de van toepassing zijnde beslagvrije voet, waarbij bovendien vanaf 1 juli 2012 de vakantietoeslag buiten beschouwing wordt gelaten.

4.5.

Het college heeft door afwijzing van het verzoek om kwijtschelding gehandeld in overeenstemming met zijn Beleidsregels. Wat appellant heeft aangevoerd over de psychische problemen van [X] en zijn financiële situatie, levert geen bijzondere omstandigheden op om met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de Beleidsregels af te wijken.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) P.C. de Wit

HD