Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/2303 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand, omdat appellant niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek dat aansluitend aan het gesprek zou worden afgelegd. Indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de betrokkene opgegeven adres noodzakelijk is, ligt het volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2007:BB4828), in de risicosfeer van de betrokkene indien dat huisbezoek niet mogelijk is. Dat appellant, naar hij stelt, bereid was om mee te werken aan het huisbezoek, doet daar niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2303 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 maart 2014, 13/4198 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Sewtahal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf oktober 2004, met tussenpozen, bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant staat vanaf 17 januari 2011 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen)

op het adres [adres 1] te [plaatsnaam 1] , welk adres hij ook aan het college had opgegeven als zijnde zijn woonadres (opgegeven adres). Op dit adres staan nog vijf personen ingeschreven. Het college heeft eind oktober 2012 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer appellant op 12 december 2012 gehoord. Appellant heeft tijdens het gesprek onder meer verklaard samen met de heer [X] op het opgegeven adres te wonen en ook wel eens bij iemand anders in [plaatsnaam 1] te verblijven. Bij besluit van 21 januari 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2012 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2.

In het kader van een aanvraag om bijstand van appellant van 23 januari 2013 heeft een sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Haarlemmermeer een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In dat kader zijn in de periode van 12 februari 2013 tot en met 19 februari 2013 waarnemingen verricht bij de woning van de ex-partner van appellant te [plaatsnaam 2] . De auto van appellant is daar tijdens nagenoeg alle waarnemingen aangetroffen. Bij besluit van 21 februari 2013 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellant niet was verschenen op een afspraak.

1.3.

Op 19 februari 2013 heeft appellant zich gemeld om bijstand aan te vragen. Op 7 maart 2013 heeft hij de aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij samen met één huisgenoot op het opgegeven adres woonachtig is. In het kader van een onderzoek naar aanleiding van de aanvraag hebben medewerkers van het college op 22 april 2013 een gesprek gevoerd met appellant. Bij die gelegenheid heeft appellant verklaard met vijf personen op het opgegeven adres te wonen. Voorts verklaart appellant dat hij op een matras in de woonkamer slaapt en dat hij in de kinderkamer op een matras op de grond slaapt als de kinderen naar school zijn. Verder verklaart appellant onder meer dat hij soms ook bij een vriend in [plaatsnaam 2] en bij een vriend in [plaatsnaam 3] slaapt en dat hij een sleutel van de woning heeft, maar deze niet bij zich heeft, omdat de sleutel in de auto van een vriend van hem ligt. Tijdens het gesprek op 22 april 2013 hebben de medewerkers meegedeeld dat zij aansluitend een huisbezoek willen afleggen op het opgegeven adres. Appellant heeft meegedeeld dat dit op dat moment niet mogelijk was.

1.4.

Bij besluit van 2 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 september 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college onder meer ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek dat aansluitend aan het gesprek op 22 april 2013 zou worden afgelegd en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover van belang, het volgende overwogen. Het college heeft als reden voor het afleggen van een huisbezoek opgegeven dat er op het door appellant opgegeven adres naast appellant een gezin van vijf personen woonachtig is, terwijl appellant had opgegeven met één persoon samen te wonen. Verder is de woning relatief klein en hoefde appellant, ondanks dat hij er al sinds 2011 verbleef, geen kost en inwoning te betalen. Appellant heeft verklaard ook bij zijn vriendin en bij vrienden te verblijven, maar wilde hiervan geen adressen geven. Voorts werden zijn bankafschriften naar het adres van de ex-partner van appellant gestuurd en is uit de bankafschriften gebleken dat voornamelijk in [plaatsnaam 2] werd gepind. Bovendien is tijdens de waarnemingen in

februari 2013 de auto van appellant regelmatig waargenomen bij het adres van de ex-partner van appellant. Tijdens het gesprek op 22 april 2013 heeft appellant geen afdoende opheldering kunnen geven over zijn woon- en leefsituatie. Gelet op deze omstandigheden was er een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Uit de gedingstukken volgt dat voorafgaand aan dit huisbezoek duidelijk was dat en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door appellant bij zijn aanvraag vermelde woon- en leefsituatie. Die informatie kon niet op een andere effectievere en voor appellant minder ingrijpende wijze worden geverifieerd. Uit het gespreksverslag van 22 april 2013 blijkt dat de behandelend ambtenaar aansluitend op het gesprek een huisbezoek wilde afleggen op het door appellant opgegeven adres. Appellant heeft aangegeven dat hij een andere afspraak heeft waardoor hij niet kan meewerken aan het huisbezoek. Voorts heeft appellant aangegeven geen sleutel van de woning te hebben. De hoofdbewoner zou niet thuis zijn, zodat appellant niet kon meewerken aan een huisbezoek. De gestelde redenen acht de rechtbank niet van zodanig gewicht dat daarvoor het belang van het college om onmiddellijk de door appellant opgegeven woonsituatie te verifiëren, gelet op de mogelijkheden om daarin wijzigingen aan te brengen, zou moeten wijken. Dat het huisbezoek op het door hem opgegeven adres feitelijk niet mogelijk zou zijn, dient naar het oordeel van de rechtbank voor risico van appellant te komen.

3. Appellant heeft in hoger beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat er geen redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek en dat hij bereid was mee te werken aan het aangekondigde huisbezoek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de in onderdeel 2 kort weergegeven overwegingen waarop dat oordeel berust. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd, vormen geen aanleiding om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. De Raad voegt hier nog het volgende aan toe. Indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de betrokkene opgegeven adres noodzakelijk is, ligt het volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB4828), in de risicosfeer van de betrokkene indien dat huisbezoek niet mogelijk is. Dat appellant, naar hij stelt, bereid was om mee te werken aan het huisbezoek, doet daar niet aan af. Daarbij tekent de Raad nog aan dat appellant de afspraak waar hij op doelt voorafgaande aan het gesprek op 22 april 2013 al had verzet en dat appellant wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat er was gebeurd met de sleutel van de woning op het opgegeven adres.

4.2.

Gelet op 4.1 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) P.C. de Wit

HD