Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/2318 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een ondervloer. Deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit de eigen middelen moeten worden bestreden. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2318 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2014, 13/5317 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 14 juli 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 27 mei 2013 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een ondervloer. Bij besluit van 4 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit de eigen middelen moeten worden bestreden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij gesommeerd is door de woningbouwvereniging om een ondervloer aan te leggen in zijn woning. Aangezien appellant niet beschikt over de financiële middelen om een ondervloer aan te leggen, bestaat de mogelijkheid dat hij uit zijn woning wordt gezet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.

4.2.

De kosten van inrichting van een woning, waaronder begrepen het leggen van een ondervloer, worden tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.3.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Uit de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder een brief van 8 juli 2013 van woningstichting [naam woningstichting] , de verhuurder van de woning van appellant ( [naam woningstichting] ), blijkt dat [naam woningstichting] appellant al vanaf 2012 heeft gesommeerd een ondervloer aan te leggen. Gelet hierop moet ervan uit worden gegaan dat de kosten van de ondervloer ten tijde in geding al geruime tijd voorzienbaar waren en dat appellant voor deze kosten had kunnen reserveren. Voorts heeft appellant in februari 2013 langdurigheidstoeslag ontvangen ter hoogte van € 234,- en heeft hij op 23 mei 2013 vakantiegeld ontvangen ter hoogte van € 705,14. Reeds deze middelen zijn ruim voldoende om een ondervloer, begroot op € 629,15, te bekostigen. Appellant heeft ervoor gekozen deze gelden voor andere doeleinden aan te wenden. De gevolgen van deze keuze behoren niet op de bijstand te worden afgewenteld.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Gelet op deze uitkomst is er geen ruimte voor veroordeling van het college tot vergoeding van schade, zodat het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) P.C. de Wit

HD