Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/1931 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Middelen. Erfenis. Overschrijding vermogensgrens. Appellante is er niet in geslaagd met concrete, objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat er sprake is van een schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1931 WWB

Datum uitspraak: 18 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

25 februari 2014, 13/2129 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L.N. Hermans, kantoorgenoot van mr. Schoonbrood. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Blanksma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde in geding sinds 3 november 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Het vrij te laten vermogen is daarbij vastgesteld op € 5.455,-. Op 24 januari 2013 heeft appellante een erfenis ontvangen van € 15.078,64. Hieraan voorafgaand heeft appellante op 18 augustus 2012 en op 29 november 2012 tweemaal een voorschot ontvangen van € 1.000,-. De totaal ontvangen erfenis bedraagt € 17.078,64. Naar aanleiding hiervan heeft het college een onderzoek ingesteld naar de (nieuwe) vermogenssituatie van appellante en haar recht op bijstand. Uit dossieronderzoek is gebleken dat appellante op 9 mei 2012 stukken heeft overgelegd die betrekking hebben op een geldlening van in totaal meer dan € 11.000,-. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 7 februari 2013.

1.2.

Bij besluit van 1 maart 2013 heeft het college de ontvangen erfenis aangemerkt als naderhand verkregen middelen, de overschrijding van de vermogensgrens bepaald op een bedrag van € 11.453,80 en dit bedrag van appellante teruggevorderd. Het college heeft bij de vaststelling van het vermogen van appellante de geldlening niet als schuld meegenomen.

1.3.

Bij besluit van 12 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2013 gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 1 maart 2013 herroepen in die zin dat de terugvordering wordt vastgesteld op € 10.239,44.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het college ten onrechte de (studie)schuld van appellante aan haar ouders van € 11.679,90 niet heeft meegeteld bij de vermogensvaststelling. Dit is in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu haar casemanager heeft gezegd dat de schuld zou worden meegenomen, terwijl het college op de hoogte was van de studie en ook van het feit dat appellante de opleiding niet zelf kon betalen. Volgens appellante heeft zij de schuld aannemelijk gemaakt. Het op 9 mei 2012 overgelegde overzicht van de betalingen van haar ouders had zij al eerder op 9 augustus 2011 aan haar casemanager verstrekt, maar dat is zoekgeraakt. Appellante heeft dit overzicht getekend voor het ontvangen van de geldbedragen, wat als een schuldbekentenis moet worden geduid. Verder blijken de betalingen uit de bankafschriften van haar ouders afkomstig te zijn. Er is een terugbetalingsverplichting vanaf het moment dat appellante haar eerste salaris ontvangt. Dit blijkt ook uit de schriftelijke verklaring van haar ouders van juni 2013. Op 24 juni 2013 heeft appellante de schuld aan haar ouders terugbetaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover een alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Schulden kunnen in het kader van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene uitsluitend in aanmerking worden genomen indien betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij tijdens de bijstandsverlening (in termijnen) opeisbaar zijn en dat de crediteur de opeisbare betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt.

4.2.

Appellante is er niet in geslaagd met concrete, objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat er sprake is van een schuld aan haar ouders als bedoeld in 4.1. Het handgeschreven overzicht dat appellante op 9 mei 2012 heeft overgelegd en dat een opsomming bevat van de kosten die haar ouders hebben betaald in verband met de studie van appellante, is daarvoor onvoldoende. Het overzicht is niet gedateerd, niet door de ouders van appellante ondertekend en vermeldt niet dat het een lening betreft die moet worden terugbetaald. Van een leenovereenkomst is dan ook geen sprake en evenmin van een schuldbekentenis. Van belang is verder dat de ouders van appellante volgens het overzicht op 30 september 2009 een bedrag van € 4.880,- hebben betaald, maar dat appellante dit bedrag bij haar aanvraag om bijstand niet als schuld heeft opgegeven. Verder blijkt uit de overgelegde bankafschriften van de ouders van appellante dat zij eenmaal een bedrag van

€ 450,- op de bankrekening van appellante hebben overgemaakt onder vermelding van ‘stage [stage] ’, maar ook daaruit valt niet af te leiden dat het om een lening gaat. Afgezien van twee betalingen door de ouders van appellante aan de hogeschool waar appellante een studie volgde van in totaal € 8.780,-, zijn van de overige betalingen geen bankafschriften overgelegd. Aan de brief van haar ouders van juni 2013 komt voorts geen doorslaggevende betekenis toe omdat deze na het bestreden besluit, en dus achteraf, is opgesteld en niet is ondertekend. Voor zover daaruit zou moeten blijken dat appellante en haar ouders destijds mondeling zijn overeengekomen dat appellante het aan haar geleende bedrag weer aan hen zou terugbetalen als zij vast werk zou krijgen of op een andere manier over een bedrag ter hoogte van de lening zou beschikken, is de terugbetaling bovendien afhankelijk gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Dat de eerder van de ouders ontvangen bedragen volgens appellante inmiddels aan hen zijn terugbetaald, brengt op zichzelf niet mee, dat het een lening betrof waaraan een afdwingbare aflossingsverplichting was verbonden. Gelet op het voorgaande was geen sprake van een schuld die tot saldering met het positieve bestanddeel van het vermogen van appellante had moeten leiden.

4.3.

Appellante heeft nog aangevoerd dat zij aan het intensieve contact met haar casemanager en haar jobcoach alsmede aan de door hen verstrekte informatie het vertrouwen heeft ontleend dat de schuld aan haar ouders bij de vermogensvaststelling zou worden meegenomen. Appellante volgde immers met toestemming van de casemanager een studie en de casemanager wist dat haar ouders de kosten van de studie betaalden. Naar aanleiding van de ontvangen erfenis heeft de casemanager appellante uitgelegd dat schulden bij de vermogensvaststelling zouden worden meegenomen. De casemanager heeft appellante er niet op geattendeerd dat het door appellante overgelegde overzicht van de door haar ouders betaalde kosten daartoe niet voldoende was, zodat zij ervan mocht uitgaan dat dit overzicht als toereikend bewijs van de schuld zou worden aanvaard.

4.4.

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat namens het college dergelijke toezeggingen zijn gedaan. Volgens het college is appellante door de betreffende medewerkers wel geïnformeerd over de procedure die zou worden gevolgd op het moment dat de erfenis zou worden ontvangen, maar hebben zij zich niet specifiek uitgelaten over de vraag of en in hoeverre de door appellante aangevoerde schuld aan haar ouders bij de vermogensvaststelling kon of zou worden betrokken. Het zonder nadere vraagstelling in ontvangst nemen van het door appellante gemaakte overzicht kan evenmin als een toezegging in evenvermelde zin worden aangemerkt.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD