Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2846

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/1045 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand bij wijze van maatregel gedurende een maand met 100%. Appellant heeft door te weigeren mee te werken aan het project ‘schone parken’ geen gebruik gemaakt van een aan hem aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Niet kan worden gezegd dat aan de weigering om deel te nemen aan de aangeboden voorziening elke vorm van verwijtbaarheid aan de kant van appellant ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1045 WWB

Datum uitspraak: 18 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

8 januari 2014, 13/3718 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Veerkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. F. Janssen, kantoorgenoot van mr. Veerkamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.B. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op hem waren de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing.

1.2.

In het kader van zijn re-integratie is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 17 januari 2013 met zijn werkcoach en P&O-consulent. Appellant is uitgelegd dat hij met ingang van

21 januari 2013 voor drie maanden zal moeten deelnemen aan het project ‘schone parken’. De te verrichten werkzaamheden zijn: vuilniszak in de hand dragen en papier of vuil oprapen met een handgrijper. Appellant heeft tijdens het gesprek aangegeven absoluut niet aan dit project te beginnen.

1.3.

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2013 gedurende een maand met 100% verlaagd.

1.4.

Bij besluit van 13 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2013 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant heeft geweigerd deel te nemen aan het project ‘schone parken’ en aldus onvoldoende heeft meegewerkt aan een aangeboden re-integratietraject. De periode waarover de maatregel is opgelegd is in het bestreden besluit enigszins gewijzigd en vastgesteld op de periode van 4 februari 2013 tot en met 3 maart 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2.

In artikel 18, tweede lid, van de WWB is bepaald, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De toepasselijke verordening is de Verordening maatregelen inkomensvoorzieningen Utrecht 2012 (Verordening).

4.3.

Niet in geschil is dat appellant door te weigeren mee te werken aan het project ‘schone parken’ geen gebruik heeft gemaakt van een aan hem aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hem van dit verzuim geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Hij was vanwege forse beperkingen aan zijn linkerschouder medisch niet in staat om de in 1.2 opgedragen werkzaamheden te verrichten. Appellant is nog steeds onder behandeling bij een fysiotherapeut en verwijst naar de overgelegde medische informatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.

In het medisch rapport van 16 augustus 2010 heeft de bedrijfsarts na onderzoek vastgesteld dat de linkerschouder van appellant aangedaan is, fors bewegingsbeperkt en bewegingspijnlijk is. Uit de door de bedrijfsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst blijkt dat duwen, trekken, tillen of dragen bij appellant beperkt is tot maximaal 1 kilo, incidenteel 5 kilo. De register-arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellant structurele functionele beperkingen heeft, waarmee in een traject of in arbeid rekening dient te worden gehouden. Het college heeft, rekening houdend met de vastgestelde beperkingen, appellant terecht geschikt geacht om de werkzaamheden in het traject ‘schone parken’, die bestonden uit vuilnis oprapen met een handgrijper, te verrichten. Dat appellant tevens een vuilniszak mee moest dragen werpt geen ander licht op de zaak, reeds omdat niet aannemelijk is gemaakt dat deze niet tussentijds kon worden geleegd. Appellant heeft geen objectieve medische gegevens in geding gebracht die zijn standpunt ondersteunen, dan wel een indicatie gegeven, dat ten tijde in geding zijn medische situatie sinds 2010 in betekenende mate is verslechterd. Dit blijkt ook niet uit de overgelegde medische informatie, die overigens ziet op de maanden januari en maart 2014. Dat appellant nog steeds onder behandeling is van een fysiotherapeut leidt evenmin tot ander oordeel. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, onder de gegeven omstandigheden en in aanmerking genomen de medische beperkingen van appellant, ten minste van hem kon worden gevergd dat hij een start zou maken met de aangeboden werkzaamheden en deze niet op voorhand al te weigeren. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bereidheid van het college om in samenspraak met appellant naar alternatieve mogelijkheden te zoeken als de schouderklachten daadwerkelijk een beletsel zouden vormen voor het verrichten van deze werkzaamheden.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat niet kan worden gezegd dat aan de weigering om deel te nemen aan de aangeboden voorziening elke vorm van verwijtbaarheid aan de kant van appellant ontbreekt. Het college was gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB dan ook gehouden bij wijze van maatregel de bijstand van appellant gedurende een maand te verlagen. De verlaging met 100% gedurende een maand is in overeenstemming met het bepaalde in de Verordening. De beroepsgrond van appellant dat de opgelegde maatregel onevenredig is, slaagt dan ook niet.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD