Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
13/4973 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de intrekking en terugvordering is ten grondslag gelegd dat met ingang van 3 april 2007 ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt en is appellante simulatie en schending van haar inlichtingenverplichting verweten. De Raad concludeert dat het Uwv in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat met ingang van 3 april 2007 ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt en heeft daarbij in het bijzonder gewezen op het door het Uwv geraadpleegde psychiater opgestelde expertiserapport, dat ten grondslag ligt aan de bestreden beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/359 met annotatie van A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4973 WIA

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

29 juli 2013, 12/2660 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. van der Staaij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Staaij. Ook was aanwezig [naam zoon] , zoon van appellante. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. P.M. Klootwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in april 2005 wegens psychische klachten uitgevallen voor haar

werkzaamheden als administratief medewerkster.

1.2.

De verzekeringsarts in het kader van de Ziektewet (ZW) heeft bij beoordelingen in mei, september en november 2005 vastgesteld dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft tot het verrichten van arbeid. Op 13 december 2005 is appellante onder behandeling gekomen van psychiater S. Gülsaçan.

1.3.

In een rapport van 13 november 2006 concludeert de ZW-verzekeringsarts dat de

presentatie van appellante een inconsistente indruk maakt. De verzekeringsarts, die ook een brief van Gülsaçan had ontvangen waarin melding werd gemaakt van een psychotische

stoornis NAO, besluit vervolgens tot inwinnen van informatie bij de huisarts van appellante en tot het inwinnen van een psychiatrische expertise. In de brief waarmee hij psychiater

N. van Loenen verzoekt een expertise te verrichten, maakt de verzekeringsarts melding van zijn twijfels over het bij appellante spelende psychische beeld.

1.4.

Appellante heeft in december 2006 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij onderzoek in januari 2007 concludeert de verzekeringsarts dat de gehele presentatie evenals de observaties buiten het gerichte

onderzoek maakten dat het tijdens het onderzoek gebleken beeld niet als consistent

imponeerde. Anderzijds viel naar het oordeel van de verzekeringsarts het bestaan van ernstige

psychopathologie niet uit te sluiten.

1.5.

Psychiater van Loenen heeft appellante op 21 september 2007 onderzocht. Op grond van zijn onderzoeksbevindingen en de door hem verkregen informatie van de behandelende

psychiater Gülsaçan, kwam Van Loenen in zijn expertiserapport tot de conclusie dat bij

appellante sprake is van een waanstoornis en een depressieve stoornis met psychotische

kenmerken. Ook ten tijde van het onderzoek bleek appellante ernstig psychotisch. Uitgebreid overleg met Gülsaçan bevestigde ten slotte de bevindingen van Van Loenen.

1.6.

In een verzekeringsgeneeskundig onderzoeksverslag van 13 november 2007 heeft de

verzekeringsarts op grond van het geheel van de onderzoeksbevindingen, waarvan in het

bijzonder de bevindingen en conclusies van psychiater Van Loenen in het expertiserapport, geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Appellante beschikt niet over benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Over de prognose is de verzekeringsarts overigens wat minder somber dan de

behandelende psychiater en Van Loenen: gegeven het feit dat de medicatietrouw van

appellante niet optimaal is, is volgens de verzekeringsarts bij een verandering in de wijze van toediening van de medicatie niet uit te sluiten dat verbetering optreedt in de situatie van

appellante.

1.7.

Overeenkomstig het advies van de verzekeringsarts, heeft het Uwv bij besluit van

30 november 2007 aan appellante met ingang van 3 april 2007 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.

2.1.

In april 2011 is appellante uitgenodigd voor een medisch heronderzoek, daar er

aanwijzingen waren dat haar belastbaarheid destijds op verkeerde gronden is ingeschat.

Omdat bij onderzoek op het spreekuur van de verzekeringsarts op 26 april 2011 geen enkele vorm van communicatie met appellante mogelijk bleek, werd besloten tot een psychiatrisch consult. Appellante werd in dit kader op 13 mei 2011 onderzocht door psychiater

dr. A.J.W.M. Trompenaars.

2.2.

In zijn verslag van 17 mei 2011 heeft Trompenaars te kennen gegeven dat bij het

consultgesprek niet duidelijk was te krijgen van welke psychiatrische problematiek er nu bij appellante precies sprake zou kunnen zijn. Hij zag wel een duidelijke discrepantie tussen de beschikbare medische gegevens in het dossier en de actuele presentatie van appellante.

Trompenaars gaf aan dat met name vragen blijven bestaan bij de symptoomvaliditeit. Om meer duidelijkheid te verkrijgen, achtte Trompenaars een klinische observatie-opname

noodzakelijk.

2.3.

Appellante is vervolgens uitgenodigd om een observationeel onderzoek in het

[naam ziekenhuis] in [plaatsnaam] te ondergaan, maar is zonder mee te werken weer

vertrokken. Hierop is de uitbetaling van haar uitkering stopgezet. Appellante is nogmaals in de gelegenheid gesteld mee te werken aan een observatie in het ziekenhuis, maar wederom is het niet tot een opname gekomen.

3.1.

Bij besluit van 27 oktober 2011 heeft het Uwv vervolgens het besluit van 30 november 2007 tot toekenning aan appellante van een Wet Wia-uitkering per 3 april 2007 ingetrokken, overwegende dat het vermoeden bestaat dat de belastbaarheid van appellante destijds verkeerd is ingeschat, wat mede het gevolg zou zijn van het door haar onjuist dan wel onvolledig

weergeven van haar gezondheidstoestand. Beslist is voorts dat appellante alsnog met ingang van laatstgenoemde datum geen recht heeft op uitkering, waartoe is overwogen dat als gevolg van het gebrek aan medewerking van appellante onvoldoende gegevens voorhanden zijn om vast te stellen of zij arbeidsongeschikt is.

3.2.

Nadat appellante bezwaar had gemaakt tegen - onder meer - het besluit 27 oktober 2011, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geoordeeld dat niet is kunnen blijken van

medische gronden die maken dat van appellante niet verwacht kan worden mee te werken aan een klinische observatie, en dat het gebrek aan medewerking derhalve aan haar valt te

verwijten.

3.3.

Bij besluit van 1 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover nog van belang, het door appellante tegen het besluit van 27 oktober 2011 gemaakte bezwaar ongegrond

verklaard. Het Uwv heeft in dit besluit onder meer overwogen dat appellante in strijd heeft gehandeld met de op haar ingevolge artikel 27 van de Wet WIA rustende informatieplicht en medewerkingsplicht. Nu door het niet voldoen aan genoemde verplichtingen haar recht op uitkering niet of niet behoorlijk kan worden vastgesteld, vindt intrekking van haar uitkering met toepassing van artikel 76, eerste lid, onder a, van de Wet WIA plaats met terugwerkende kracht met ingang van de dag, zijnde 3 april 2007, ten aanzien waarvan sprake is van gerede twijfel over de arbeidsongeschiktheid van appellante.

4. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante, samengevat, naar voren gebracht dat zij volledig arbeidsongeschikt is. De twijfel die daarover eerder bij de verzekeringsartsen heeft bestaan, is volgens appellante weggenomen met de door Van Loenen uitgevoerde

expertise. Het Uwv heeft dan ook niet op basis van het enkele feit dat appellante niet heeft meegewerkt aan een observatie-opname kunnen beslissen dat zij vanaf datum toekenning niet arbeidsongeschikt is geweest, en had daarom niet mogen overgaan tot intrekking van haar uitkering met terugwerkende kracht tot en met 3 april 2007. Appellante trekt daarbij in twijfel of een dergelijke observatie wel de enige mogelijkheid voor het Uwv was om haar

arbeids(on)mogelijkheden in kaart te brengen.

5.1.

Ter zitting van de rechtbank heeft appellante alsnog haar medewerking aan een opname in het [naam ziekenhuis] toegezegd. Zij heeft van 3 december 2012 tot en met

7 december 2012 in dat ziekenhuis verbleven. Het onderzoek aldaar werd verricht door

psychiater J.H.M. van Laarhoven. In een lijvig rapport van 15 december 2012 heeft deze

psychiater geconcludeerd dat tijdens de diagnostische opname sprake was van aggravatie, zij het niet in een mate als bij eerdere onderzoeken, en heeft hij gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het zeer waarschijnlijk is dat appellante van meet af aan haar ziekte heeft

gesimuleerd.

5.2.

De rechtbank heeft overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het

onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Met dat onderzoek is volgens de rechtbank bevestigd dat appellante op 3 april 2007 in staat was loonvormende arbeid te verrichten. Voorts zijn naar het oordeel van de rechtbank in de expertise voldoende aanwijzingen

aanwezig voor het oordeel dat appellante haar arbeidsongeschiktheid heeft voorgewend om een hogere uitkering te verkrijgen. In een dergelijk geval is een intrekking met terugwerkende kracht toegestaan. In het geheel van de feiten en omstandigheden ziet de rechtbank

onvoldoende reden aanwezig om een dringende reden aan te nemen op grond waarvan het Uwv niet tot de onderhavige intrekking had dienen over te gaan.

5.3.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

6. Appellante heeft in hoger beroep de door haar eerder in bezwaar en beroep naar voren

gebrachte bezwaren gehandhaafd. Appellante meent dat zij niet neutraal is beoordeeld tijdens de observatie-opname, daar psychiaters van het [naam ziekenhuis] , onder wie psychiater Van Laarhoven, vaker door het Uwv zijn ingeschakeld in gevallen als het onderhavige, waarin de betrokkene onder behandeling is geweest bij een “verdachte” psychiater. Het mag

appellante niet worden tegengeworpen dat zij patiënt is geweest van psychiater Gülsaçan. Appellante blijft in elk geval stellig ontkennen en betwisten dat zij arbeidsongeschiktheid heeft voorgewend teneinde een (hogere) arbeidsongeschiktheidsuitkering te verkrijgen. Zij meent dat haar uitkering niet kon worden ingetrokken, laat staan dat dit mocht met

terugwerkende kracht vanaf de datum van toekenning.

7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Toetsingskader: algemeen

7.1.1.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA moet een verzekerde, die een

aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie verstrekken,

waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.

7.1.2.

In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt indien:

a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering niet of niet meer kan worden

vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld; (…)

c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Op grond van het derde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

7.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het

algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de

uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

7.3.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening

uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag

intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door

toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met

welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

7.4.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet

alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook - in geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295).

Wat is in dit geval gesteld?

7.5.1.

Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat het Uwv aan het bestreden besluit, in verband met de - door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 24 december 2012 onderschreven - uitkomsten van de expertise van Van Laarhoven,

zoals deze alsnog tijdens beroep heeft plaatsgevonden, niet langer ten grondslag legt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante door haar gebrek aan medewerking aan noodzakelijk geacht onderzoek niet voldoende kon worden vastgesteld, maar dat op grond van het alsnog verrichte onderzoek is komen vast te staan dat appellante op 3 april 2007 in staat was

loonvormende arbeid te verrichten en tevens dat zij haar arbeidsongeschiktheid van meet af aan heeft voorgewend, in verband waarmee appellante het verwijt treft dat haar ten onrechte uitkering is verstrekt als gevolg van schending van de in artikel 27 van de wet neergelegde informatieverplichting.

7.5.2.

De Raad volgt appellante niet in de namens haar ter zitting naar voren gebrachte

opvatting dat het aan het Uwv niet vrijstond de motivering van de in het bestreden besluit neergelegde schending door appellante van de op haar rustende informatieplicht in de onder 7.5.1 weergegeven zin aan te vullen, maar in plaats daarvan een nieuw besluit had dienen te nemen. Voor zover de gemachtigde van appellante bedoelt dat zij in haar

verweermogelijkheden is geschaad, kan zij daarin niet worden gevolgd. Zij heeft voldoende gelegenheid gekregen, en heeft deze ook daadwerkelijk benut met een schriftelijke reactie van 7 februari 2013, om haar standpunt met betrekking tot de door Van Laarhoven verrichte

expertise naar voren te brengen. De Raad zal het bestreden besluit daarom in navolging van de rechtbank lezen en beoordelen met inachtneming van de aangevulde motivering, zoals hiervoor vermeld.

7.6.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op grond van het geheel van de omtrent appellante voorliggende medische gegevens, waarvan in het bijzonder het door psychiater Van Laarhoven opgestelde expertise-rapport, in genoegzame mate buiten twijfel is gesteld dat appellante op 3 april 2007 in staat was loonvormende arbeid te verrichten en voorts dat haar het verwijt treft van meet af aan bij de medische onderzoeken die uiteindelijk hebben geleid tot toekenning aan haar van uitkering met ingang van 3 april 2007, de onderzoekende artsen bewust te hebben misleid door, zowel in de presentatie van haar klachten als met de over haar door Gülsaçan verstrekte en onjuist gebleken inlichtingen, een ernstige psychiatrische ziekte voor te (doen) wenden. De conclusies van Van Laarhoven hierover zijn stellig, eenduidig en overtuigend gemotiveerd. Naar aanleiding van wat daarover van de zijde van appellante is aangevoerd, tekent de Raad daarbij aan dat niet is kunnen blijken van aanknopingspunten om vraagtekens te zetten bij de neutraliteit en de onpartijdigheid van deze psychiater. De Raad stelt zich achter het standpunt van het Uwv dat de verstrekking van uitkering aan appellante in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met haar simulatie en dat derhalve moet worden gezegd dat, nu geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, daardoor ten

onrechte aan haar uitkering is verstrekt.

7.7.

Op grond van het overwogene onder 7.5.1 tot en met 7.6 onderschrijft de Raad het

oordeel van de rechtbank dat er rechtens geen beletsel is voor het Uwv om de WIA-uitkering van appellante met terugwerkende kracht per 3 april 2007 in te trekken.

7.8.

Het overwogene onder 7.1 tot en met 7.7 voert tot de slotsom dat de aangevallen

uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante bestaat geen

aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De

beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) V. van Rij

AP