Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2834

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/2594 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. De rugklachten komen niet voort uit dezelfde ziekteoorzaak als die in verband waarmee appellant eerder een WAO-uitkering ontving. Geen aanleiding terug te komen van eerder genomen intrekkingsbesluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2594 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

26 maart 2014, 13/3985 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 augustus 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Hoogendoorn hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2015. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Hoogendoorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1989 met psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als persvergulder. Met ingang van 14 maart 1990 is hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 30 juli 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 september 2007 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 maart 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank Utrecht heeft het beroep dat appellant tegen het besluit van 11 maart 2008 heeft ingesteld bij uitspraak van 29 oktober 2009 ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Raad bij uitspraak van 15 december 2010 bevestigd.

1.3.

Op 20 oktober 2010 heeft appellant bij het Uwv melding gemaakt van verslechterde gezondheid met ingang van 1 december 2009 vanwege rugklachten. De verzekeringsarts heeft op 20 april 2011 gerapporteerd dat sprake is een nieuwe ziekteoorzaak. Bij besluit van

3 mei 2011 heeft het Uwv geweigerd een WAO-uitkering toe te kennen, omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning daarvan met toepassing van een verkorte wachttijd van vier weken. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van

5 oktober 2011 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 januari 2012 heeft de rechtbank Utrecht het beroep van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Op 9 mei 2012 heeft appellant opnieuw bij het Uwv een melding gedaan van verslechterde gezondheid. Appellant heeft daarbij vermeld dat sinds de intrekking van zijn WAO-uitkering niet alleen zijn rugklachten zijn verslechterd, maar ook zijn psychische gesteldheid. Bij besluit van 18 januari 2013 heeft het Uwv besloten niet terug te komen van het besluit van 30 juli 2007, omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat dit besluit onjuist is.

1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 13 juni 2013 gerapporteerd dat de psychische klachten van appellant niet veranderd zijn sinds de psychiatrische expertise van 15 januari 2007 die in het kader van de herbeoordeling is verricht, zodat er op dit punt geen toegenomen beperkingen zijn. Wat betreft de rugklachten erkent de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant thans dermate beperkt is dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Bij beslissing op bezwaar van 5 oktober 2011 is echter al vastgesteld dat de rugklachten moeten worden aangemerkt als een nieuwe ziekteoorzaak en daarom niet kunnen leiden tot herleving van de WAO-uitkering. Dit besluit is onherroepelijk en er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangedragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na intrekking van de WAO-uitkering. Bij besluit van 26 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op de zitting bij de rechtbank heeft appellant het beroep beperkt tot de rugklachten. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in zijn besluit van

3 mei 2011, gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2011, al heeft vastgesteld dat de rugklachten moeten worden aangemerkt als een nieuwe ziekteoorzaak en daarom niet kunnen leiden tot een herleving van de WAO-uitkering. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden en er zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden vermeld die een ander licht kunnen werpen op de juistheid van het eerdere besluit van 5 oktober 2011.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van de melding van

20 oktober 2010 en dat dus niet aan een inhoudelijk oordeel kan worden toegekomen. Nu erkend wordt dat de rugklachten na de melding van 20 oktober 2010 verder zijn toegenomen en deze toename zelfstandig aanleiding kan vormen voor een melding van verslechterde gezondheid, valt niet in te zien waarom er geen sprake zou zijn van nieuwe feiten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, blijkt dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid, of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.

4.2.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.

4.3.

Ter zitting is komen vast te staan dat appellant met het verzoek van 9 mei 2012 beoogt een inhoudelijke beoordeling te krijgen van de rugklachten over de gehele periode van

28 september 2007 (de datum waarop zijn WAO-uitkering is ingetrokken) tot en met 9 mei 2012 (de datum van melding verslechterde gezondheid). Appellant heeft daartoe een beroep gedaan op een regeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

4.4.

Op grond van artikel 43a WAO vindt, zodra de arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, toekenning van een WAO-uitkering plaats aan degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid is ingetrokken en die binnen vijf jaar na de intrekking arbeidsongeschikt is geworden, als die arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die in verband waarmee de ingetrokken uitkering werd genoten.

4.5.

De Raad onderschrijft het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de rugklachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als die in verband waarmee appellant tot 28 september 2007 een WAO-uitkering ontving. Bij de intrekking van de WAO-uitkering zijn alleen beperkingen vastgesteld die verband hielden met de psychische klachten van appellant. De stelling van appellant dat de rugklachten in 2007 ook al tot beperkingen leidden, volgt de Raad niet. De huisarts vermeldt in zijn brief van 14 september 2012 dat appellant sinds 1996 rugklachten heeft, maar uit de patiëntenkaart blijkt slechts dat de huisarts appellant op 1 februari 2005 in verband met rugklachten heeft gezien en dat dit een eenmalig consult betrof. Uit de in bezwaar en beroep overgelegde medische gegevens blijkt dat appellant voor het eerst in maart 2009 door de huisarts voor zijn rugklachten verwezen is naar de neuroloog en dat hij sindsdien voor deze klachten onder behandeling staat.

4.6.

Voor zover het verzoek mede betrekking heeft op de periode waarop de eerste melding van verslechterde gezondheid van 20 oktober 2010 ziet, is appellant, nu de beslissing op die melding in rechte vast staat, overeenkomstig artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden nieuw gebleken feiten of verminderde omstandigheden aan te dragen.
Bij haar toetsing van het bestreden besluit heeft de rechtbank betreffende artikel 4:6 van de Awb het juiste toetsingskader gehanteerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld en afdoende gemotiveerd dat appellant bij zijn verzoek van 9 mei 2012 over deze periode geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

5. De overwegingen in 4.5 en 4.6 leiden tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Zeijen als voorzitter en mr. E. Dijt en mr. P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J.R. van Ravenstein

UM