Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2830

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
12/3169 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering schadevergoeding. Onvoldoende causaal verband tussen het ten onrechte niet verrekenen van een nabetaling en de afwijzing van de kwijtschelding voor lokale belastingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3169 BESLU

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

7 mei 2012, 12/109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1.1.

Na een ziekmelding op 23 september 2005 is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en met ingang van 5 december 2006 voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Nadien heeft het Uwv erkend dat bij appellant ten onrechte een verkorte wachttijd was toegepast, dat hij nog tot 21 september 2007 recht had op een (hogere) ZW-uitkering en dat hij pas daarna recht had op een WIA-uitkering. Bij de nabetaling van de ZW-uitkering aan appellant heeft het Uwv niet verrekend met de al aan appellant betaalde WIA-uitkering. Hierdoor heeft appellant tijdelijk buiten zijn schuld teveel uitkering ontvangen.

1.2.

Dientengevolge was het fiscale inkomen van appellant tijdelijk hoger, zodat hij in de periode 2007/2008 geen recht meer had op (voorschotten) zorg- en huurtoeslag, noch op teruggave inkomstenbelasting. Al uitbetaalde bedragen heeft de fiscus als onverschuldigd betaald van appellant teruggevorderd. Appellant heeft het Uwv verzocht de door hem in dit verband geleden schade te vergoeden. Bij besluiten van 8 maart 2010, 5 augustus 2010 en

24 februari 2011 (in bezwaar is bij besluit van 12 september 2011 nog aanvullend € 120,- aan schadevergoeding toegekend) heeft het Uwv de verzoeken van appellant toegewezen (schadebesluiten). Tegen de schadebesluiten zijn geen (verdere) rechtsmiddelen aangewend. Appellant heeft in het totaal een bedrag van € 5.819,- ontvangen.

1.3.

Bij besluiten van 9 juni 2011 en 15 juli 2011 zijn vanwege het Waterschap Noorderzijlvest en de gemeente Appingedam verzoeken van appellant om kwijtschelding van waterschapsbelasting, afvalstoffenheffing en rioolrecht over het jaar 2011 van in totaal € 688,88 afgewezen, omdat appellant ten tijde van de respectievelijke verzoeken beschikte over voldoende banktegoed.

2. Bij brief van 21 juli 2011 heeft appellant het Uwv verzocht om vergoeding van schade ten bedrage van € 688,88. Hiertoe heeft appellant aangevoerd dat de in 1.3 genoemde verzoeken om kwijtschelding zijn afgewezen, omdat zijn banksaldo te hoog was vanwege de door het Uwv betaalde bedragen aan schadevergoeding (zie 1.2). Bij besluit van 21 september 2011 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 5 januari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant door de betaalde schadevergoeding in dezelfde vermogensrechtelijke positie komen te verkeren als waarin hij zou hebben verkeerd indien het Uwv de nog te ontvangen ZW-uitkering meteen zou hebben verrekend met de al ontvangen WIA-uitkering. Dus ook zonder het onrechtmatig handelen van het Uwv zou appellant in deze vermogensrechtelijke positie verkeren. Appellant heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld, noch onderbouwd waarom dit in dit specifieke geval anders zou zijn en dat deze omstandigheden aan het Uwv zouden kunnen worden toegerekend. De schadebesluiten zelf moeten voor rechtmatig worden gehouden en kunnen daarom niet dienen als grondslag voor vergoeding van schade.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant gronden aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak. Volgens appellant kan niet worden gezegd dat de onderhavige schade van € 688,88 niet het gevolg is van het onrechtmatig handelen van het Uwv. Nu niet in geschil is dat het Uwv onrechtmatig heeft gehandeld, bestaat er in beginsel aanspraak op vergoeding van die schade. Door het Uwv en de rechtbank is onvoldoende onderbouwd waarom in dezen niet gesproken kan worden van voldoende causaal verband. Appellant blijft bij het standpunt dat er wel voldoende causaal verband is tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van het Uwv. De schade is daarom volgens appellant ten onrechte niet vergoed.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv ontbreekt het causale verband tussen het ten onrechte niet verrekenen van een nabetaling en de afwijzing van de kwijtschelding voor lokale belastingen, althans is dit verband (veel) te indirect.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.

5.2.

Een beslissing over de vergoeding van beweerdelijk geleden schade is een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), indien deze schade beweerdelijk het gevolg is van een besluit, of een daarmee gelijk te stellen handeling, waartegen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter mogelijk is (materiële connexiteit). Verder wordt het (hoger) beroep tegen een zelfstandig schadebesluit beoordeeld door de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het (hoger) beroep tegen het schadeveroorzakende besluit (processuele connexiteit).

5.3.

Vraag is allereerst of het besluit van 21 september 2011 is aan te merken als een appellabel besluit. Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd, begrijpt de Raad dat de door hem in deze procedure gestelde schade uiteindelijk is terug te voeren op het besluit, waarbij hij met ingang van 5 december 2006 in aanmerking was gebracht voor een WIA-uitkering (zie 1.1). Daarmee is sprake van processuele en gestelde materiële connexiteit.

5.4.

Volgens vaste rechtspraak dient in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en komen voorts alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking, die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

5.5.

De onrechtmatigheid van het besluit, waarbij appellant met ingang van 5 december 2006 in aanmerking was gebracht voor een WIA-uitkering, is niet in geschil. Het is vervolgens aan appellant om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de gestelde schade van € 688,88 in een zodanig verband staat met dit onrechtmatige besluit, dat zij het Uwv als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. De enkele stelling, dat niet kan worden gezegd dat de schade niet het gevolg is van het onrechtmatig handelen van het Uwv, is hiertoe onvoldoende. De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat met de bij de schadebesluiten toegekende schade de vermogensrechtelijke positie van appellant is hersteld. Daarmee verkeerde appellant na deze schadevergoeding in de positie waarin hij zou hebben verkeerd als het onrechtmatige besluit niet zou zijn genomen. De omstandigheid, dat appellant vervolgens na dit herstel van zijn vermogensrechtelijke positie niet in aanmerking kwam voor kwijtschelding van de bij de in 1.3 genoemde besluiten opgelegde bedragen, staat daarom in beginsel niet in causaal verband met het onrechtmatige besluit. Een toelichting, waarom dit anders zou zijn, ontbreekt ook in hoger beroep.

5.6.

Voor zover appellant heeft willen betogen dat de gestelde schade het gevolg is van de schadebesluiten (zie 1.2), geldt het volgende. Ook de schadebesluiten zijn appellabele besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zoals bedoeld in 5.2. Ook dan voldoet het besluit van 21 september 2011 aan de eisen van processuele en gestelde materiële connexiteit.

5.7.

Appellant is niet opgekomen tegen de schadebesluiten. De rechtmatigheid van de schadebesluiten is ook niet in geschil. De toetsingsmaatstaf, zoals weergegeven in uit 5.4, brengt dan mee dat er geen grondslag is voor toewijzing van een verzoek tot veroordeling tot vergoeding van schade.

5.8.

Uit hetgeen is overwogen in 5.5 tot en met 5.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

6. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en R.E. Bakker en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2015.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) I. Mehagnoul

AP