Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/2289 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De arbeidsdeskundige heeft op overtuigende wijze uiteengezet dat er in de geselecteerde functies geen sprake is van overschrijding van appellants belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2289 WIA

Datum uitspraak: 14 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 maart 2014, 13/2568 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Amrani, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2015.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amrani. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als voorman afwas voor 36 uur per week. Op

19 oktober 2009 heeft hij zich arbeidsongeschikt gemeld vanwege beenklachten.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 november 2012 vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van

25 oktober 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bij besluit van 2 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 23 augustus 2013 vastgesteld dat het bestreden besluit van een deugdelijke medische grondslag is voorzien. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet concludent is omdat de signalering op item 5.2 (zitten) in de functie parkeercontroleur (Sbc-code 342022) niet, en de signalering op het item 4.15 (frequent lichte voorwerken hanteren tijdens het werk) in de functie productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) onvoldoende is toegelicht. Bij de tussenuitspraak is het Uwv in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen.

2.2.

In de rapporten van 4 september 2013 en 4 november 2013 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nadere onderbouwing gegeven van de geschiktheid van de functies parkeercontroleur en productiemedewerker industrie.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de signaleringen in de geselecteerde functies alsnog voldoende heeft gemotiveerd. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 april 2013 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven en beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de nadere arbeidskundige onderbouwing van het Uwv heeft geaccepteerd. De functie parkeercontroleur acht appellant niet passend vanwege een overschrijding ten aanzien van langdurig zitten. De functie productiemedewerker industrie acht appellant niet passend omdat hij volgens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 300 maal voorwerpen van ruim één kilogram kan hanteren, terwijl in deze functie het tillen van voorwerpen tot vijf kilogram voorkomt. Dit acht appellant een overschrijding van zijn belastbaarheid.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Vastgesteld wordt dat het hoger beroep uitsluitend is gericht op de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4.2.

De door appellant in hoger beroep aangevoerde gronden vormen in essentie een herhaling van dat wat hij in beroep op dit punt reeds heeft aangevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de signaleringen op de items 5.2 (zitten) in de functie parkeercontroleur en 4.15 (frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk) in de functie productiemedewerker industrie na de tussenuitspraak alsnog genoegzaam zijn gemotiveerd, en dat het bestreden besluit met deze nadere motivering ook van een deugdelijke arbeidskundige grondslag is voorzien. Ook de Raad is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op overtuigende wijze uiteen heeft gezet dat er in de genoemde functies geen sprake is van overschrijding van appellants belastbaarheid.

4.3.

Bij de functie productiemedewerker industrie is van belang dat er bij item 4.15 in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid omdat in het CBBS onder lichte voorwerpen wordt verstaan ‘voorwerpen van 0,5 tot 5 kilo’. Item 4.15 ziet op het frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk en daarbij gaat het om de mogelijkheden tot frequent tillen/dragen vast te leggen. Omdat de frequentie van het tillen/dragen in de functie productiemedewerker industrie aanmerkelijk lager is dan volgens de FML is toegestaan namelijk 60 in plaats van 300 maal per uur, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het hanteren van lasten tot aan de bovengrens van het toegestane gewicht terecht akkoord geacht. Hierbij is tevens van belang dat appellant op item 4.14 van de FML in staat is geacht tot het tillen/dragen van voorwerpen van ongeveer

10 kilo.

4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2015.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) J.R. van Ravenstein

AP