Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2826

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
14/658 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de intrekking en terugvordering is ten grondslag gelegd dat met ingang van

24 mei 2007 ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt en is appellante simulatie en schending van de inlichtingenverplichting verweten. De Raad concludeert dat het Uwv in dit geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat met ingang van 24 mei 2007 ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt. Hieruit volgt reeds dat niet aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking en terugvordering te besluiten is voldaan en dat daarmee de grondslag komt te ontvallen aan de boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/658 WIA, 14/1492 WIA en 15/3893 WIA

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van

19 december 2013 (12/6435) (aangevallen uitspraak 1) en 4 februari 2014 (13/6706) (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.H. Eijmaal, advocaat, tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv nadere stukken ingediend met betrekking tot de opgelegde boete.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 27 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H. Kashefi Majd, kantoorgenoot van

mr. Eijmaal en H.I. Aydin als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker in een wasserij- en linnenverhuurbedrijf. Zij is voor dat werk met ingang van 9 mei 2005 arbeidsongeschikt geworden wegens rugklachten. Later heeft zij ook psychische klachten gekregen waarvoor zij volgens verklaring van psychiater S. Gülsaçan van 20 maart 2007 bij hem onder

medisch-psychiatrische diagnostiek en indicatiestelling is gesteld.

1.2. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft de verzekeringsarts psychiater

N.J. de Mooij verzocht een expertise te verrichten, waarbij de verzekeringsarts heeft vermeld dat met appellante geen contact was te krijgen, er bij zijn onderzoek geen oogcontact was en appellante kreunde, steunde en schokte en het geheel nogal theatraal en onecht over kwam. Op 11 mei 2007 is door psychiater De Mooij rapport uitgebracht, waarin werd vermeld dat er geen enkele aanwijzing was voor simulatie of aggravatie en werd geconcludeerd tot een depressie in engere zin, eenmalige episode, ernstig met psychotische kenmerken. Geadviseerd werd een klinische opname ten behoeve van een goede diagnosestelling en adequate behandeling. Het Uwv heeft bij besluit van 16 mei 2007 vastgesteld dat appellante met ingang van 24 mei 2007 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij zij volledig arbeidsongeschikt werd geacht.

1.3. Op voorstel van een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 20 november 2007 de WIA-uitkering van appellante tijdelijk verlaagd, omdat zij niet meewerkte aan een voorgestelde opname. Het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 april 2008 is, evenals het op 8 september 2008 gehandhaafde besluit met betrekking tot een verdere verlaging van de uitkering, bij uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2009 vernietigd op de grond dat het Uwv de verwijtbaarheid van appellante met betrekking tot haar weigering om aan een opname mee te werken onvoldoende heeft onderzocht en de in die procedure bestreden besluiten op dat punt onvoldoende zijn gemotiveerd. Het Uwv heeft in dat oordeel berust en bij besluit van 3 november 2009 aan appellante bericht dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat de weigering om mee te werken aan een klinische opname appellante kan worden verweten.

1.4. Op 5 april 2011 heeft een inspecteur van het Uwv appellante in haar woning bezocht en aan haar een uitnodiging uitgereikt om bij een verzekeringsarts te verschijnen. Volgens het rapport van de verzekeringsarts van 1 juni 2011 gaf appellante op het spreekuur via een tolk taalkundig en inhoudelijk goed antwoord op de vragen, meldde zij dat er geen behandelingen waren, dat zij somber was en nergens van kon genieten en het liefst de hele dag in het donker zat en niemand wilde zien. Volgens de verzekeringsarts was sprake van problematiek van het houdings- en bewegingsapparaat, maar waren er vooralsnog geen aanwijzingen voor psychische problematiek. Het rapport vermeldt dat bij de psychische klachten een totaal ander beeld wordt gevonden dan bij de eerdere onderzoeken en expertise. In het rapport worden als conclusies onder meer vermeld dat appellante geschikt is voor gangbare arbeid, dat de beschreven mogelijkheden en beperkingen ook doorlopend van toepassing zijn vanaf de eerste WIA-beoordeling in 2007 en dat appellante en haar behandelaar een onjuist en onvolledig beeld hebben gegeven van de klachten en belemmeringen van appellante, terwijl zij niet om medische reden buiten staat was om de verzekeringsarts een volledig en juist beeld te geven. Na informatie te hebben ontvangen van de huisarts en neurochirurg heeft de verzekeringsarts zijn conclusies op 15 juli 2011 gehandhaafd. Volgens dat rapport waren er tekenen die wijzen op simulatie en is besloten tot een psychiatrische expertise. Daarnaast heeft het Uwv de betaling van de WIA-uitkering met ingang van 1 augustus 2011 opgeschort.

1.5. Appellante is vervolgens door psychiater J.H.M. van Laarhoven onderzocht. In zijn rapport van 25 augustus 2011 geeft deze psychiater weer dat zijn informatie tekort schiet om een betrouwbare indruk te vormen van de persoonlijkheid van appellante. Verder geeft hij aan dat er een duidelijke discrepantie is met het onderzoek van de verzekeringsarts en duidelijk sprake is van “faking crazy”, het door middel van raar gedrag bewust voorwenden van psychiatrische symptomen, maar dat niet evident kan worden of onderliggend wellicht een reële, zij het minder ernstige, stoornis aanwezig is. De psychiater vermeldt dat door gebrekkige coöperatie geen relevante aspecten ten aanzien van het verrichten van arbeid zijn te geven. Op grond van deze expertise heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van

1 september 2011 geconcludeerd dat de uitkomst past bij de eerdere bevindingen dat sprake is van het bewust slechter voorspiegelen van de psychische situatie.

1.6. Nadat de verzekeringsarts op 3 november 2011 de beperkingen van appellante had weergegeven, heeft een arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellante bij einde wachttijd en in september 2010 geschikt was voor de door hem geselecteerde functies. De mate van arbeidsongeschiktheid is per 24 mei 2007 gesteld op 0% en per 20 september 2010 op 1,77%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 12 december 2011 aan appellante bericht dat de belastbaarheid destijds op verkeerde gronden is ingeschat, mede als gevolg van het door appellante onjuist dan wel onvolledig weergeven van haar gezondheidstoestand, dat daarom de beslissing van 16 mei 2007 wordt ingetrokken en wordt vastgesteld dat appellante per

24 mei 2007 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

1.7. Met verwijzing naar het besluit van 12 december 2011 heeft het Uwv bij besluit van

16 december 2011 de over de periode 24 mei 2007 tot en met 31 december 2011 onverschuldigd betaalde uitkering tot het brutobedrag van € 55.157,99 van appellante teruggevorderd.

1.8. Appellante heeft tegen het besluit van 12 december 2011 bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens besloten tot een klinische opname, die heeft plaatsgevonden van 3 september 2012 tot en met 7 september 2012. In het naar aanleiding van deze opname op 5 november 2012 opgemaakte rapport heeft psychiater

P.J.H. Notten in de beantwoording van de aan hem gestelde vragen vermeld dat er tijdens de non-verbale therapie en andere observaties geen aanwijzingen waren voor psychotische verschijnselen en dat er tijdens de opname kenmerken c.q. aanwijzingen waren voor simulatie. Hij concludeert dat betrokkene haar psychiatrische toestandsbeeld simuleert. Op grond van dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

19 november 2012 de visie van de verzekeringsarts onderschreven. Nadat ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zich had aangesloten bij de conclusies van de arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 26 november 2012 (bestreden besluit 1) de bezwaren van appellante tegen het besluit van 12 december 2011 ongegrond verklaard. In dit bestreden besluit is, onder verwijzing naar de artikelen 27 en 76 van de Wet WIA, vermeld dat appellante de verzekeringsartsen en externe artsen door haar handelen en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over haar gezondheidstoestand en dat terecht is vastgesteld dat er per 24 mei 2007 geen relevante mate van arbeidsongeschiktheid was. Omdat door haar toedoen ten onrechte uitkering is verstrekt, wordt de uitkering met terugwerkende kracht volledig ingetrokken tot de eerste dag van toekenning. Volgens het Uwv is geen sprake van een dringende reden om van de terugwerkende kracht af te zien.

2.1. Bij brief van 19 februari 2013 heeft het Uwv het voornemen kenbaar gemaakt aan appellante een boete op te leggen tot een bedrag van € 2.269,-. De boete is onder toepassing van artikel 91 van de Wet WIA tot genoemd bedrag opgelegd bij besluit van 14 mei 2013. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 september 2013 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. De gehandhaafde boete is gebaseerd op het standpunt dat appellante het Uwv onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd over haar gezondheidssituatie, dat ze dat beeld heeft laten voortduren terwijl zij redelijkerwijs moest weten dat dit van invloed kon zijn op haar recht op uitkering, zodat zij artikel 27, eerste lid van de Wet WIA heeft overtreden. Volgens het Uwv is er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid of van een dringende reden om de boete te matigen.

2.2. Bij brief van 4 september 2013 heeft het Uwv appellante onder meer bericht dat het boetebedrag is verhoogd met € 354,35 wegens vergoeding voor aanmaning en buitengerechtelijke kosten (bestreden besluit 3).

3. Appellante heeft tegen bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld. Zij stelt zich

- samengevat - op het standpunt dat zij haar klachten en beperkingen niet heeft gesimuleerd en niet in staat is de maatgevende arbeid te kunnen verrichten. Voorts acht zij de intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht in strijd met het beginsel van rechtszekerheid. Er is geen grondslag voor de opgelegde boete.

4. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden

besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

4.1. De rechtbank heeft met betrekking tot bestreden besluit 1 overwogen dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat de medische belastbaarheid van appellante door de verzekeringsartsen en ingeschakelde psychiaters op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat de gezondheidssituatie van appellante ten tijde van de onderzoeken door het Uwv ter voorbereiding op bestreden besluit 1 afweek van die op 24 mei 2007. De onder 1.2 weergegeven opvatting van psychiater De Mooij hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. Daarbij is overwogen dat die opvatting tot stand is gekomen na zeer beperkt onderzoek omdat destijds met appellante geen normaal contact mogelijk was tijdens het onderzoek. De rechtbank heeft de opvatting van de arbeidsdeskundigen gevolgd dat appellante geschikt wordt geacht voor de geduide functies.

4.2. Volgens de rechtbank had appellante moeten weten dat haar, als gevolg van haar gedrag en op grond van de informatie van haar toenmalig behandelend psychiater, ten onrechte een WIA-uitkering was toegekend en had zij er rekening mee moeten houden dat die uitkering werd ingetrokken. Met verwijzing naar rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank onder deze omstandigheden intrekking met terugwerkende kracht niet in strijd met het beginsel van rechtszekerheid geacht. Volgens de rechtbank is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van intrekking van de uitkering af te zien niet gebleken.

4.3. Met betrekking tot de opgelegde boete heeft de rechtbank overwogen dat appellante haar klachten in de periode van 24 mei 2007 tot en met het intrekkingsbesluit van 12 december 2011 heeft voorgewend en dat haar daarvan een verwijt is te maken. De opgelegde, maximale, boete van € 2.269,- wordt niet onevenredig geoordeeld. Het verzuim dat het Uwv de termijn waarbinnen moet worden betaald niet heeft vermeld, is door de rechtbank gepasseerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de periode waarover een boete kan worden opgelegd beperkt is tot vijf jaar voorafgaand aan het boetebesluit maar dat dit niet tot een lager boetebedrag leidt. Tot slot heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om dringende omstandigheden aan te nemen die zouden kunnen leiden tot het afzien of matigen van de boete.

5.1. Onder handhaving van wat in bezwaar en beroep is aangevoerd, heeft appellante in hoger beroep uitvoerig uiteengezet dat appellante het Uwv niet verkeerd heeft geïnformeerd en dat zij niet heeft gesimuleerd. Zij heeft aangevoerd dat de bestreden besluiten en aangevallen uitspraken onvoldoende de feiten en omstandigheden vermelden waarop de bevindingen en oordelen zijn gebaseerd. Zij acht deze onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Gelet op de beweerdelijk verwijtbare gedraging van 16 april 2007 is het recht om een boete op te leggen volgens appellante ook verjaard.

5.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

6. De Raad stelt allereerst vast dat bestreden besluit 3, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling moet worden betrokken. Hij komt voorts tot de volgende beoordeling.

Toetsingskader: algemeen

6.1.1. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.

6.1.2. In artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv beschikkingen op grond van deze wet herziet of intrekt, indien:

a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld; (…)

c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Op grond van het derde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

6.1.3. Op grond van artikel 91, eerste lid van de Wet WIA, zoals dat gold tot 1 januari 2013, legt het Uwv een boete op van ten hoogste € 2.269,- ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

6.2.1. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

6.2.2. Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van het Uwv van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

6.2.3. Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook - in het geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295). Daarbij moet ervan worden uitgegaan dat het behoort tot de professie van een verzekeringsarts om de door een verzekerde geclaimde klachten op realiteitswaarde te toetsen. Op grond van zijn kennis en kunde wordt een verzekeringsarts in staat geacht om de bij de anamnese beschreven klachten en het gedrag van een verzekerde tijdens het onderzoek te benoemen als een gevolg van ziekte of gebrek dan wel aan te merken als gesimuleerde of geaggraveerde klachten of gedragingen. Hij wordt mede in staat geacht om informatie die hij, al dan niet op zijn verzoek, verkrijgt van behandelaars van een verzekerde te beoordelen op consistentie en aannemelijkheid. Waar een verzekeringsarts zowel een lichamelijk als een psychisch onderzoek verricht, geldt dit laatste ook als informatie wordt verkregen van psychiaters die een verzekerde behandelen of behandeld hebben of op verzoek van een verzekerde een expertise hebben verricht (zie ook de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, Stb. 2000, 307, en ECLI:NL:CRVB:2015:1295).

6.2.4. Bij een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenverplichting geldt, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als uitgangspunt dat op het Uwv de bewijslast rust ten aanzien van de feiten op basis waarvan een overtreding van de inlichtingenverplichting is geconstateerd. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund

(vgl. overweging 4.8.3 van het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2511). Staat de overtreding vast, dan is van essentiële betekenis dat de overtreder van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting ook subjectief een verwijt te maken valt (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2009:BH7780).

Wat is in dit geval gesteld?

6.3. Het standpunt van het Uwv komt er in de kern op neer dat met ingang van 24 mei 2007 ten onrechte WIA-uitkering aan appellante is verstrekt. Appellante wordt verweten dat zij bij herhaling vanaf 2007 de verzekeringsartsen en externe artsen met haar houding, gedrag en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over haar gezondheidssituatie door een beeld van een ernstige psychiatrische stoornis op te roepen die geen betrouwbare weergave van haar situatie is gebleken. Volgens het Uwv is door de verzekeringsartsen, ondersteund door de rapporten van de psychiaters Van Laarhoven en Notten, afdoende komen vaststaan dat in appellantes situatie sprake is van simulatie en schending van de in artikel 27 van de Wet WIA neergelegde informatieplicht.

Ten onrechte uitkering verstrekt?

6.4. Bij beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.

6.4.1. Op basis van zijn spreekuuronderzoek van 1 juni 2011 overweegt de verzekeringsarts in zijn rapport dat er vooralsnog geen aanwijzingen zijn om uit te gaan van psychische problematiek en concludeert dat de door hem beschreven beperkingen doorlopend van toepassing zijn vanaf 2007. Voor zover de verzekeringsarts zijn conclusies niet alleen op de actuele situatie toepast, ontbreekt in dat rapport afdoende onderbouwing op welke grond de conclusies, in afwijking van de resultaten van onderzoeken in 2007 en 2008, ook op die jaren van toepassing zijn. Daarbij merkt de Raad op dat uit de gegevens in het rapport van 1 juni 2011 blijkt dat appellante een langere voorgeschiedenis van psychische problematiek kent, waaronder een in het rapport vermelde conversie in 1996.

6.4.2. In zijn rapport van 1 september 2011 heeft de verzekeringsarts vermeld dat de uitkomst van de expertise van psychiater Van Laarhoven past bij de eerdere bevindingen van de verzekeringsarts, dat er sprake is van het bewust slechter voorspiegelen van de psychische situatie. Zoals in 1.7 vermeld, heeft de psychiater in zijn rapport van 25 augustus 2011 vermeld dat zijn informatie tekort schiet om een betrouwbare indruk te vormen over de persoonlijkheid van appellante. Verder geeft hij met betrekking tot het aggraverend gedrag aan dat niet evident kan worden of wellicht “onderliggend” sprake is van een reële, zij het minder ernstige, stoornis. Op grond hiervan kan niet worden gezegd dat de conclusie van de verzekeringsarts wordt ondersteund door de expertise.

6.4.3. Tot slot geldt nog dat van het rapport van de verzekeringsarts van april 2007 en het naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapport door psychiater De Mooij in mei 2007, niet kan worden gezegd dat destijds het medisch onderzoek onzorgvuldig, onvolledig of onjuist is geweest. Op basis van eigen onderzoek, gegevens van de bedrijfsarts, die na aanvankelijk alleen rugproblematiek te hebben gesteld begin 2007 van somberheid, depressiviteit en onhandelbaarheid melding maakte, informatie van de toenmalig behandelend psychiater Gülsaçan en de psychiatrische expertise heeft de verzekeringsarts, ondanks de vermelding van het waargenomen theatraal en onecht gedrag, in zijn aanvullend rapport van 14 mei 2007 afdoende gemotiveerd geconcludeerd dat bij appellante toen geen benutbare mogelijkheden aanwezig waren.

6.4.4. Wat in 6.4.1 tot en met 6.4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt dat met ingang van 24 mei 2007 ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt aan appellante. Hieruit volgt reeds dat niet aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking en tot terugvordering te besluiten is voldaan. Zowel aangevallen uitspraak 1 als bestreden besluit 1 zullen daarom worden vernietigd. Gelet op het aantal en de omvang van de uitgevoerde onderzoeken en het tijdsverloop wordt het Uwv niet in de gelegenheid gesteld opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante. Het besluit van 12 december 2011, waarbij het besluit van 16 mei 2007 is ingetrokken en aan appellante het recht op

WIA-uitkering alsnog is ontzegd, zal worden herroepen.

Boete

6.5. Gelet op het in 6.4.4 gegeven oordeel komt de grondslag te ontvallen aan de in het bestreden besluit 2 gehandhaafde boete en het aanvullende besluit van 4 september 2013, voor zover dit de verhoging van het boetebedrag betreft. Aangevallen uitspraak 2 en die besluiten zullen worden vernietigd. Het boetebesluit van 14 mei 2013 zal worden herroepen.

6.6. Ter voorlichting aan partijen wordt vermeld dat het bij besluit van 29 november 2011 gehandhaafde besluit van 27 juli 2011, waarbij de betaling van de WIA-uitkering is geschorst, buiten de omvang van dit geding valt. Dat geldt ook voor het terugvorderingsbesluit van

16 december 2011. Het Uwv heeft ter zitting toegezegd zich over het handhaven van het terugvorderingsbesluit opnieuw te beraden indien het besluit van 12 december 2011 zou worden herroepen.

Kosten

7. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. De kosten van rechtsbijstand worden, met inachtneming van de tot de zitting in hoger beroep afzonderlijk gevoerde procedures, begroot op € 1.960,- in bezwaar, op € 1.960,- in beroep en op € 1.470,- in hoger beroep, en voor reiskosten in hoger beroep € 20,80, in totaal € 5.410,80.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 26 november 2011,

18 september 2013 en het besluit van 4 september 2013 voor wat betreft de verhoging van het boetebedrag;

- herroept de besluiten van 12 december 2011 en 14 mei 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 5.410,80;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 326,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.S. van der Kolk en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) S. Aaliouli

AP