Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
14/2190 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven is op grond van artikel 8:104 van de Awb het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Er is mandaat verleend en het sectorhoofd is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat. Nu aan mr. Van der Zijden, niet zijnde het hoofd of het plaatsvervangend hoofd van die afdeling, geen (onder)mandaat tot het instellen van hoger beroep is verleend, was zij niet bevoegd namens appellant hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep is niet bevoegdelijk ingesteld en moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:104
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/321
ABkort 2015/313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2190 WWB

Datum uitspraak: 18 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

2 april 2014, 14/473 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (appellant)

[betrokkene] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Namens betrokkene heeft P.C.J. Schut een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de behandeling van de zaken 14/6953 WWB, 15/1112 WWB, 15/1259 WWB en 15/1667 WWB, plaatsgevonden op 26 mei 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Daemen, mr. J.C.N. van Dijk,

mr. S. Linders en mr. I. van der Zijden. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

P.C.J. Schut. Na de zitting zijn de gevoegde zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 17 september 2013, gehandhaafd bij besluit van 24 januari 2014 (bestreden besluit), heeft appellant op de bijstand van betrokkene een maatregel toegepast die inhoudt dat de bijstand met 40% over de maand september 2013 wordt verlaagd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 17 september 2013 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep is namens appellant ingesteld door mr. I. van der Zijden, medewerkster bij de afdeling bezwaar, beroep en klachten (BBK), die ook namens appellant het hoger beroepschrift heeft ondertekend. Betrokkene heeft in zijn aanvullend verweerschrift naar voren gebracht dat enkel de betrokken wethouder bevoegd is tot het instellen van hoger beroep en dat niet is gebleken dat deze bevoegdheid is ondergemandateerd.

4.2.

Op grond van artikel 8:104 van de Algemene wet bestuursrecht is het bestuursorgaan bevoegd tot het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Het betrokken bestuursorgaan is in dit geval appellant. Uit de door appellant overgelegde stukken, waaronder een afschrift van de desbetreffende publicaties in het gemeenteblad Eindhoven 2013, nummers 11 en 20 (mandaatregeling), blijkt dat aan het hoofd van de sector Veiligheid en Bestuur het volgende mandaat is verleend: “Het, na afstemming met de betrokken portefeuillehouder, instellen van hoger beroep tegen een gerechtelijke uitspraak van de rechtbank in bestuursrechtelijke aangelegenheden”, dat dit sectorhoofd bevoegd is tot het verlenen van ondermandaat en dat aan het hoofd van de afdeling BBK ter zake van deze bevoegdheid ondermandaat is verleend. Het standpunt van betrokkene dat alleen de wethouder over een mandaat tot het instellen van hoger beroep beschikt is daarom niet juist, zoals van zijn kant ter zitting ook is erkend. Wel mag, zo blijkt uit de mandaatregeling, de betrokken portefeuillehouder in ieder geval ook zelf beslissen over het instellen van hoger beroep.

4.3.

In dit geval staat vast dat het hoger beroep niet is ingesteld door appellant zelf en dat het evenmin namens appellant is ingesteld door de betrokken portefeuillehouder, het sectorhoofd Veiligheid en Bestuur, het hoofd van de afdeling BBK of hun plaatsvervangers.

4.4.

Van de zijde van appellant is aangevoerd dat het instellen van het hoger beroep door

mr. Van der Zijden heeft plaatsgevonden in opdracht van de betrokken wethouder

(portefeuillehouder). Daarbij is gewezen is op het e-mailbericht van mr. Van der Zijden aan de portefeuillehouder van 8 april 2014 en het antwoord van de portefeuillehouder daarop van

16 april 2014. De Raad volgt appellant daarin niet. Met het e-mailbericht van 8 april 2014 is aan de portefeuillehouder toestemming gevraagd voor het instellen van hoger beroep, waarop deze heeft laten weten het eens te zijn met de ambtelijke overweging daarvoor. In het

e-mailbericht van de portefeuillehouder van 16 april 2014 kan geen opdracht tot het - namens de wethouder als eerste gemandateerde - instellen van hoger beroep worden gelezen. Daarmee is uitsluitend voldaan aan het in de mandaatregeling neergelegde vereiste van afstemming met de portefeuillehouder, waarna het hoofd van de afdeling BBK van zijn ondermandaat gebruik mocht maken. Nu aan mr. Van der Zijden, niet zijnde het hoofd of het plaatsvervangend hoofd van die afdeling, geen (onder)mandaat tot het instellen van hoger beroep is verleend, was zij niet bevoegd namens appellant hoger beroep in te stellen.

4.5.

Aan het vereiste van het beschikken over de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep namens het bestuursorgaan moet zijn voldaan binnen de beroepstermijn. De indiening van het aanvullend beroepschrift met daarin de gronden van het hoger beroep heeft, nog daargelaten of daarmee wel aan het bevoegdheidsvereiste is voldaan, plaatsgevonden nadat de termijn voor het instellen van het hoger beroep was verstreken.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet bevoegdelijk is ingesteld. Het hoger beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en Y.J. Klik en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.L. Meijer

HD