Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2819

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
14/1130 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aansprakelijkheid te erkennen. De weersomstandigheden waren op de dag van het ongeluk van appellant niet zodanig dat de minister in strijd met zijn zorgplicht heeft gehandeld door appellant te laten rijden in een dienstauto die niet was voorzien van winterbanden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de dienstauto als gevolg van het ontbreken van winterbanden buiten de rijbaan is geraakt. Ook overigens is niet gebleken dat de dienstauto onveilig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1130 MAW

Datum uitspraak: 20 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 januari 2014, 13/3077 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Overdam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Overdam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.W. van der Stoel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, ten tijde van belang werkzaam als adjudant onderofficier, is tijdens een dienstreis op 12 februari 2010 met een civiele dienstauto bij het inhalen van een vrachtwagen op de A28 met de linker wielen over de doorgetrokken streep in een sneeuwlaagje bij de middenberm/vangrail gereden. De sneeuw was in de dagen ervoor gevallen. De auto is in een slip geraakt, over de kop geslagen en daarna op vier wielen tot stilstand gekomen. Na het ongeluk is bij appellant de diagnose postwhiplash syndroom graad 2 vastgesteld. Voorts ondervindt hij toegenomen tinnitusklachten.

1.2.

Bij besluit van 15 maart 2010 is het ongeval aangemerkt als een bedrijfsongeval als bedoeld in artikel 5 van de Regeling proces-verbaal van ongeval en medische aangelegenheden.

1.3.

Bij brief van 7 augustus 2012 heeft appellant de minister aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden en zal lijden als gevolg van het ongeval. Appellant heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de minister zijn zorgplicht heeft geschonden, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door de civiele dienstauto niet uit te rusten met winterbanden.

1.4.

Bij besluit van 22 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 maart 2013 (bestreden besluit), heeft de minister geweigerd aansprakelijkheid te erkennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in Nederland geen wettelijke plicht bestaat om een auto bij winterse omstandigheden te voorzien van winterbanden, zodat niet kan worden gezegd dat een auto zonder winterbanden onveilig is. Hierbij heeft de minister de kosten van het standaard laten aanbrengen van winterbanden en de omstandigheid dat de dienstauto’s incidenteel worden gebruikt, in aanmerking kunnen nemen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de winterse weersomstandigheden op het door hem te rijden traject op de dag van het ongeluk dusdanig slecht waren dat de minister appellant redelijkerwijs niet in een dienstauto zonder winterbanden kon laten rijden. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn zorgplicht niet heeft geschonden.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft betoogd dat de enkele omstandigheid dat de minister geen wettelijke plicht heeft om de dienstauto uit te rusten met winterbanden niet betekent dat is voldaan aan de zorgplicht. Het gebruik van winterbanden zorgt in winterse omstandigheden voor een kortere remweg en voor een verbeterde grip en had het ongeluk kunnen voorkomen. De minister had gebruik moeten maken van de mogelijkheid om alle civiele dienstauto’s door de leasemaatschappij te laten uitrusten met winterbanden. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat de financiële draagkracht daartoe ontbreekt. Appellant heeft voorts betoogd dat het profiel van de banden onvoldoende was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht (CRvB 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072). De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

4.2.

De zorgplicht van de minister strekt niet op voorhand tot het uitbannen van ieder denkbaar risico, maar tot het treffen van alle maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs van de minister kunnen worden gevergd om de veiligheid van het personeel te waarborgen (CRvB 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9654).

4.3.

Anders dan appellant betoogt, strekt de zorgplicht van de minister niet zover dat hij elke dienstauto voor het gebruik in Nederland in de winterperiode standaard moet voorzien van winterbanden. Wel kunnen de weersomstandigheden in de winterperiode soms zodanig zijn dat de minister in strijd met de zorgplicht handelt als hij geen maatregelen treft om te voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van dienstauto’s die niet zijn voorzien van winterbanden.

4.4.

De weersomstandigheden waren op de dag van het ongeluk van appellant niet zodanig dat de minister in strijd met zijn zorgplicht heeft gehandeld door appellant te laten rijden in een dienstauto die niet was voorzien van winterbanden. Ten tijde en ter plaatse van het ongeluk viel er immers geen neerslag en waren de rijbanen vrij van sneeuw en normaal begaanbaar. Verder volgt uit de verklaring van appellant, opgenomen in het Proces-verbaal van ongeval van 16 februari 2010, dat het ongeluk is ontstaan als gevolg van het feit dat de linker wielen

- buiten de linker rijbaan - in een sneeuwlaagje bij de middenberm/vangrail kwamen en zijn gaan spinnen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de dienstauto als gevolg van het ontbreken van winterbanden buiten de rijbaan is geraakt. Ook overigens is niet gebleken dat de dienstauto onveilig was. Pas naar aanleiding van het verweerschrift in hoger beroep heeft appellant de vraag opgeworpen of de banden van de dienstauto voldoende profiel hadden. De Raad heeft geen aanleiding te veronderstellen dat dit niet het geval was. Niet in geschil is dat de kilometerstand van de dienstauto ten tijde van het ongeluk 39.000 bedroeg. Uit de door de minister overgelegde gegevens volgt dat bij een kilometerstand van 67.000 de profieldiepte van de banden circa 2,6 mm bedraagt, terwijl de wettelijk toegestane profieldiepte minimaal 1,6 mm dient te zijn. Een bandenwissel vindt plaats na gemiddeld 69.000 kilometer. De dienstauto waarmee appellant reed had deze kilometerstand nog lang niet bereikt. Het betoog van appellant dat uit gegevens van de bandenleverancier volgt dat een bandenwissel dient plaats te vinden na 45.000 kilometer, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel omdat, wat daar verder ook van zij, de dienstauto ook deze kilometerstand nog niet had bereikt.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.W. Munneke

HD