Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
14/3276 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag “arrangementen tweede carrière na SB-functie”, gericht op arrangement C, waarbij een loopbaanpremie wordt verstrekt. Gezien het doel en de strekking van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie, acht de minister deze niet van toepassing bij medische herplaatsingskandidaten als de SB-functie definitief niet meer wordt bekleed. De minister heeft, gezien het doel en de strekking van deze Tijdelijke regeling, in redelijkheid op deze wijze gebruik mogen maken van deze bevoegdheid. Nu appellant al in juli 2010 blijvend ongeschikt is geacht voor de functie van piw-er en hij ten tijde van zijn aanvraag al werkzaam was in een andere passende (niet SB-) functie, in welke functie hij ook al per 1 oktober 2012 was geplaatst, houdt het bestreden besluit in rechte stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3276 AW

Datum uitspraak: 20 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 april 2014, 13/5184 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. van Kerkvoorden hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015. Appellant is verschenen, met bijstand van mr. Van Kerkvoorden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J.B. van den Elsaker en mr. F.M.C. Pinxteren.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als medior penitentiair inrichtingswerker (piw-er) bij de

Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Deze functie is aangemerkt als een substantieel bezwarende functie (SB-functie).

1.2.

Op 7 oktober 2009 is appellant arbeidsongeschikt geworden. Op 11 maart 2010 heeft de Arbo Unie geadviseerd appellant, gezien zijn medische beperkingen, te bemiddelen naar een andere, passende werkplek. Bij besluit van 5 juli 2010 is vastgesteld dat appellant blijvend ongeschikt is voor zijn functie van piw-er en dat terugkeer in die functie niet meer aan de orde is. Omdat appellant wel in staat werd geacht geheel of gedeeltelijk te werken is hij bij dit besluit aangewezen als medische herplaatsingskandidaat tot uiterlijk 7 oktober 2011 of tot de datum waarop hij is herplaatst in passend werk.

1.3.

Bij besluit van 6 augustus 2012 is appellant met ingang van 1 oktober 2012 ontheven uit zijn functie van piw-er en per gelijke datum met toepassing van artikel 37a, eerste lid, van het Algemene Rijksambtenarenreglement (ARAR) herplaatst als medewerker civiele services bij de Penitentiaire Inrichting [plaats] voor gemiddeld 36 uur per week. De bij deze functie behorende werkzaamheden verrichtte appellant al voor 1 oktober 2012 in het kader van zijn

re-integratie.

1.4.

Op 30 augustus 2012 heeft appellant schriftelijk verklaard dat hij vrijwillig deelneemt aan de Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie (Tijdelijke regeling). Op 4 september 2012 heeft appellant een “Aanvraagformulier arrangementen tweede carrière na SB-functie” ingediend, gericht op arrangement C, waarbij een loopbaanpremie wordt verstrekt. Bij besluit van 17 januari 2013 heeft de minister op deze aanvraag afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van

13 augustus 2013 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 60 van het ARAR kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels stellen om ambtenaren die werkzaam zijn in een substantieel bezwarende functie als bedoeld in artikel 97, eerste lid, van het ARAR, te stimuleren na verloop van tijd de overstap te maken naar een niet substantieel bezwarende functie. Met de onder 1.4 genoemde Tijdelijke regeling, die de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft vastgesteld in overeenstemming met de minister van Veiligheid en Justitie en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, is hieraan uitvoering gegeven. Op grond van de artikelen 2 en 3 van de Tijdelijke regeling kan het bevoegd gezag met de ambtenaar die tussen de tien en twaalf dienstjaren heeft in een substantieel bezwarende functie (verder: SB-functie) en niet zijnde een herplaatsingskandidaat als bedoeld in artikel 49d van het ARAR, loopbaanafspraken maken, gericht op de overstap naar een andere functie. Hierbij kunnen aan de ambtenaren verschillende arrangementen worden toegekend, waaronder een loopbaanpremie (arrangement C). In artikel 7, tweede lid, van de Tijdelijke regeling zijn aan het verstrekken van deze loopbaanpremie nadere voorwaarden gesteld, waaronder de voorwaarden dat de ambtenaar minimaal acht dienstjaren aaneengesloten aangesteld is geweest in een SB-functie en een overstap maakt naar een andere functie, of aan betrokkene eervol ontslag is verleend op grond van artikel 94 van het ARAR.

3.2.

Het bestreden besluit betreft een discretionaire bevoegdheid, zodat de wijze waarop de minister van deze bevoegdheid gebruik maakt door de rechter terughoudend moet worden getoetst. Het doel van de Tijdelijke regeling is het stimuleren van uitstroom uit een SB-functie naar een tweede carrière in een niet SB-functie, om zo vroegtijdige uitstroom te verminderen. Namens de minister is ter zitting ook verwezen naar de toelichting op artikel 7 van de Tijdelijke regeling, volgens welke het hier in geding zijnde arrangement C, genoemd in

artikel 3, onder c, kan worden toegepast in gevallen waarin de ambtenaar die werkzaam is in een SB-functie op eigen kracht op zoek gaat naar een andere functie of vrijwillig kiest voor ontslag op grond van artikel 94 van het ARAR.

3.3.

Appellant is al bij besluit van 5 juli 2010 blijvend ongeschikt geacht voor zijn SB-functie van piw-er en aangewezen als herplaatsingskandidaat op medische gronden. Bij dit besluit is vermeld dat terugkeer in de functie van piw-er niet meer aan de orde is. De minister stelt de zogenoemde medische herplaatsingskandidaat op één lijn met de wegens reorganisatie te herplaatsen ambtenaar, die in artikel 2 van de Tijdelijke regeling expliciet is uitgezonderd. Gezien het doel en de strekking van de Tijdelijke regeling acht de minister deze niet van toepassing bij medische herplaatsingskandidaten als de SB-functie definitief niet meer wordt bekleed. De minister heeft, gezien het doel en de strekking van de Tijdelijke regeling, in redelijkheid op deze wijze gebruik mogen maken van deze bevoegdheid. Nu appellant al in juli 2010 blijvend ongeschikt is geacht voor de functie van piw-er en hij ten tijde van zijn aanvraag al werkzaam was in een andere passende (niet SB-) functie, in welke functie hij ook al per 1 oktober 2012 was geplaatst, houdt het bestreden besluit in rechte stand.

4. Gezien wat onder 3.2 en 3.3 is overwogen, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2015.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD