Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
14/2994 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Vaststelling plichtsverzuim. Werkzaamheden verricht terwijl dat niet was toegestaan. Door een redelijk voorschrift van het bestuur te overtreden, heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. 2) Voldoende grond voor schorsing. 3) Ontslag. Dat appellant werkzaamheden heeft verricht terwijl hem dat niet was toegestaan, kan het bestuur niet als plichtsverzuim aan het ontslag meer ten grondslag leggen, omdat het bestuur bij besluit 1 had volstaan met een vaststelling. Door het visiedocument te verspreiden ondanks een redelijk voorschrift van het bestuur dit niet te doen en zich grievend en beledigend uit te laten over het bestuur en collega’s heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Het disciplinair ontslag is niet evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Subsidiaire ontslaggrond houdt stand. Met zijn grievende en beledigende uitlatingen heeft appellant zich zowel bij het bestuur als bij zijn collega’s in korte tijd onmogelijk gemaakt. 4) De loonkorting en de uitkering op grond van artikel 39 BZA. Geen grond voor het achterwege laten van de loonkorting. Het bestuur is op grond van artikel 39, eerste lid, van het BZA niet bevoegd na twaalf maanden ongeschiktheid een hogere uitkering te verlenen dan 70% van de laatst genoten bezoldiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2018/722
TAR 2015/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2994 AW, 14/2995 AW, 14/2997 AW

Datum uitspraak: 20 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2014, 12/2282, 12/949, 12/4146 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van Amstelwijs, Stichting voor Openbaar Primair Onderwijs (het bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O. van der Kind, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. R.P.J. Hendrikx, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kind. Voor het bestuur is verschenen [naam] ,

directeur-bestuurder van de stichting Amstelwijs, bijgestaan door mr. Hendrikx.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de onderdelen 1.2 tot en met 1.14 van de aangevallen uitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2014:2871). Hij volstaat hier met het volgende.

1.2.

Appellant is op 1 januari 2003 in dienst getreden bij de gemeente Amstelveen en is na de verzelfstandiging van het openbaar onderwijs aangesteld door het bestuur. Appellant was laatstelijk werkzaam als coördinator facilitaire en financiële diensten. Appellant is in

augustus 2010 wegens ziekte uitgevallen.

1.3.

Bij besluit van 6 juli 2011 (besluit 1) heeft het bestuur appellant een waarschuwing gegeven en daarbij vermeld dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim door tegen een op 4 juli 2011 gegeven voorschrift in zijn werkzaamheden te hervatten en deel te nemen aan een overleg met de vakbonden.

1.4.

Bij besluit van 15 juli 2011 (besluit 2) heeft het bestuur appellant met ingang van deze dag geschorst in de uitoefening van zijn functie voor de duur van vier weken met toepassing van artikel 4.12, eerste lid, van de CAO voor het primair onderwijs 2009 (CAO PO 2009). Daaraan ligt ten grondslag dat appellant, ondanks dat hij door de bedrijfsarts volledig arbeidsongeschikt is bevonden en in strijd met een gegeven voorschrift, in zijn hoedanigheid als voorzitter van de medezeggenschapsraad van het stafbureau (MR-stafbureau) heeft deelgenomen aan een vergadering. Verder heeft appellant schriftelijk laten weten het voorschrift om zijn werkzaamheden nog niet te hervatten te zullen negeren. Daarnaast heeft appellant zich grievend uitgelaten over het bestuur en collega’s, zich bediend van pressiemiddelen zoals het uiten van het dreigement gebruik te maken van publicitaire mogelijkheden en een rapport verspreid dat grievend is voor het bestuur en waarvan hem de verspreiding door het bestuur was verboden. Appellant heeft zich volgens het bestuur daardoor binnen de organisatie onmogelijk gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 15 juli 2011 (besluit 3) heeft het bestuur appellant meegedeeld dat zijn functie van coördinator facilitaire en financiële diensten voor de periode van 1 augustus 2011 tot 1 augustus 2012 in het risicodragend deel van de formatie (RDDF) is geplaatst.

1.6.

Bij besluit van 8 augustus 2011 (besluit 4) heeft het bestuur met toepassing van artikel 4, eerste lid, van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BZA), zoals dat destijds luidde, de bezoldiging van appellant met ingang van 30 augustus 2011 gekort tot 70%, omdat appellant dan twaalf maanden ziekteverlof heeft genoten.

1.7.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het bestuur bij besluit van 19 september 2011 (besluit 5) appellant met toepassing van artikel 4.7 van de CAO PO 2009 ontslag verleend, primair wegens plichtsverzuim en subsidiair wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk. Aan het ontslag ligt ten grondslag dat appellant voorschriften van het bestuur over werkhervatting heeft overtreden. Verder heeft appellant zich volgens het bestuur in brieven en e-mails grievend over het bestuur en collega’s uitgelaten en heeft appellant het bestuur gechanteerd met het naar buiten brengen van een door hem opgesteld visiedocument. Ondanks een verbod van het bestuur heeft appellant dit visiedocument op 10 juli 2011 en 11 juli 2011 verzonden aan collega’s van het stafbureau, schooldirecteuren en leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad. Aan de subsidiaire ontslaggrond heeft het bestuur de garantie verbonden op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en een bovenwettelijke uitkering.

1.8.

Bij besluit van 8 februari 2012 (besluit 6) heeft het bestuur meegedeeld dat appellant over de periode van 19 september 2011 tot en met maximaal 19 maart 2012 in aanmerking komt voor een uitkering op grond van artikel 39 van het BZA, zoals dat destijds luidde, ter hoogte van 70% van de laatst genoten bezoldiging onder vermindering van de uitkering op grond van de Ziektewet die appellant heeft of had kunnen ontvangen.

1.9.

Bij besluit van 21 februari 2012 (besluit 7) heeft het bestuur deze uitkering op een negatief bedrag vastgesteld.

1.10.

Bij besluit van 29 maart 2012 (bestreden besluit I) heeft het bestuur de bezwaren tegen de besluiten 1, 2, 4 en 5 ongegrond verklaard.

1.11.

Bij besluit van 16 januari 2012 (bestreden besluit II) heeft het bestuur het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard.

1.12.

Bij besluit van 11 juli 2012 (bestreden besluit III) heeft het bestuur het bezwaar tegen de besluiten 6 en 7 gegrond verklaard en de uitkering vastgesteld op € 551,64.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden

besluiten I en III ongegrond en tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat strafontslag daarvoor proportioneel is. Daarbij is volgens de rechtbank van belang dat appellant een hoge positie had in de organisatie, dat hij meerdere keren schriftelijk grievende uitlatingen heeft gedaan en dat hij met zijn gedrag is doorgegaan ondanks dat hij daarvoor was gewaarschuwd. Het beroep tegen het bestreden besluit II heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep tegen het besluit over de plaatsing van zijn functie in het RDDF nu het ontslag in stand blijft.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De vaststelling van plichtsverzuim op 4 juli 2011.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hij door zijn aanwezigheid als voorzitter van de

MR-stafbureau bij de vergadering op 4 juli 2011 geen plichtsverzuim heeft gepleegd. In een brief van 7 juli 2011 heeft de bedrijfsarts echter laten weten dat hij op 4 juli 2011 tegen appellant heeft gezegd dat werkhervatting nog niet aan de orde was en dat dit ook gold voor zijn werkzaamheden als lid van de MR-stafbureau. Appellant heeft zijn stelling dat de bedrijfsarts tegen hem heeft gezegd dat hij zijn werkzaamheden wel kon hervatten en dat dit hem ook door zijn behandelend specialist is meegedeeld, niet aannemelijk gemaakt. Ervan uitgaande dat appellant op 4 juli 2011 door de bedrijfsarts arbeidsongeschikt was bevonden, is het niet onredelijk dat het bestuur hem te kennen heeft gegeven dat hij niet zelf kan bepalen dat hij zijn werkzaamheden weer hervat. Dat het daarbij ging om werkzaamheden voor de MR-stafbureau maakt dat niet anders, omdat appellant ook voor deze werkzaamheden door de bedrijfsarts nog arbeidsongeschikt was bevonden. Aan de redelijkheid van het gegeven voorschrift doet niet af dat appellant eerder tijdens zijn ziekteperiode wel in de gelegenheid is gesteld activiteiten voor de MR-stafbureau te verrichten. Door een redelijk voorschrift van het bestuur te overtreden, heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

De schorsing.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat het hem als lid van de MR-stafbureau vrijstond zijn visiedocument te verspreiden. Daarbij gaat appellant eraan voorbij dat het bestuur aan de schorsing niet alleen de verspreiding van het visiedocument door appellant ten grondslag heeft gelegd, maar meer in het bijzonder dat hij zich met in dat document opgenomen grievende uitlatingen over het bestuur en collega’s binnen de organisatie onmogelijk had gemaakt. Daarnaast had appellant voorschriften over zijn werkhervatting genegeerd en laten weten deze te zullen blijven negeren. Reeds op deze gronden heeft het bestuur appellant in redelijkheid bij wijze van ordemaatregel in de uitoefening van zijn werkzaamheden kunnen schorsen.

Het ontslag.

4.3.1.

De beroepsgronden van appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim slagen niet. Appellant heeft zich grievend en beledigend uitgelaten over leden van het bestuur en collega’s. Het door het bestuur aan appellant gegeven verbod het visiedocument te verspreiden was niet onredelijk en niet in strijd met zijn vrijheid van meningsuiting. Het feit dat appellant kort na de verspreiding van dit document voor de daarin aan het adres van bestuursleden voorkomende beschuldigingen zijn excuses heeft aangeboden, onderschrijft dat appellant de verspreiding van het visiedocument in de bestaande vorm achterwege had moeten laten. Daargelaten of de

MR-stafbureau een medezeggenschapsraad was als bedoeld in de Wet medezeggenschap op scholen, zoals het bestuur heeft betwist, van de zijde van het bestuur is de MR-stafbureau benaderd als was het een medezeggenschapsorgaan. Dat maakt dat appellant in zijn hoedanigheid van voorzitter van de MR-stafbureau kritiek moest kunnen leveren, ook als dat gebeurde in stevige bewoordingen. De vrijheid van meningsuiting noch zijn positie als voorzitter van de MR-stafbureau gaven appellant echter een vrijbrief voor het doen van grievende en beledigende uitlatingen. Anders dan het bestuur meent, kunnen echter geen gevolgen worden verbonden aan de door het bestuur veronderstelde schending van de door appellant getekende geheimhoudingsverklaring, aangezien een dergelijk plichtsverzuim appellant in het voornemen niet ten laste is gelegd. Dat appellant werkzaamheden heeft verricht terwijl hem dat niet was toegestaan, kan het bestuur niet als plichtsverzuim aan het ontslag meer ten grondslag leggen, omdat het bestuur bij besluit 1 had volstaan met een vaststelling. Door het visiedocument te verspreiden ondanks een redelijk voorschrift van het bestuur dit niet te doen en zich grievend en beledigend uit te laten over het bestuur en collega’s heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

4.3.2.

Bij de vraag of de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan het verweten plichtsverzuim zijn onder meer de aard en ernst van het plichtsverzuim van belang. Appellant heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard dat hij ten tijde van het gepleegde plichtsverzuim onder zware druk stond. Hij was ontevreden over de re-integratie inspanningen van zijn werkgever, hij had te horen gekregen dat zijn functie in het RDDF was geplaatst en hij voelde vanwege zijn functie van coördinator facilitaire en financiële diensten en zijn voorzitterschap van de MR-stafbureau een grote betrokkenheid bij de organisatie waarbij hij zich ernstig zorgen maakte over het gevoerde beleid. Appellant is bij de door hem gevoelde noodzaak het beleid van het bestuur ter discussie te stellen, doorgeslagen en hij liet zich door het bestuur aanvankelijk niet corrigeren. Voor appellant pleit dat hij op 13 juli 2011 excuses voor zijn uitlatingen heeft aangeboden. Gelet op de lastige situatie waarin appellant zich bevond, deels door het optreden van het bestuur en de korte tijd waarin de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld, heeft het bestuur te snel naar het uiterste middel van een disciplinair ontslag gegrepen. Daarbij is van belang dat een dergelijk ontslag voor appellant ingrijpende gevolgen heeft. Bovendien is niet gebleken is dat er tot juli 2011 op het functioneren van appellant veel was aan te merken. De beroepsgrond van appellant dat een disciplinair ontslag onevenredig is aan het door hem gepleegde plichtsverzuim slaagt. Het ontslag van appellant op de primaire ontslaggrond houdt geen stand.

4.3.3.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepsgronden van appellant tegen de subsidiaire ontslaggrond beoordelen. Met zijn grievende en beledigende uitlatingen heeft appellant zich zowel bij het bestuur als bij zijn collega’s in korte tijd onmogelijk gemaakt. Ook voor deze ontslaggrond geldt dat de vrijheid van meningsuiting noch zijn positie als voorzitter van de MR-stafbureau appellant een vrijbrief gaven voor het doen van dergelijke uitlatingen. Niet gezegd kan worden dat het bestuur onvoldoende oog heeft gehad voor de toenadering die appellant heeft gezocht. Uit de gedingstukken rijst het beeld op van een medewerker die na een periode van afwezigheid wegens ziekteverzuim op ramkoers terugkeert in de organisatie en met wie gedurende een aantal weken geen goed garen is te spinnen. Op het moment dat appellant excuses maakte voor zijn uitlatingen waren de verhoudingen al onherstelbaar verstoord. Zijn collega’s hadden zich van hem gedistantieerd, terwijl niet valt in te zien dat het bestuur nog voldoende vertrouwen kon hebben in appellant als een van zijn belangrijkste adviseurs. Het ontslag op de subsidiaire ontslaggrond houdt dan ook stand.

4.3.4.

De Raad is van oordeel dat het bestuur geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en het voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Het is appellant geweest die zich met zijn onverzoenlijke opstelling in korte tijd onmogelijk heeft gemaakt bij stichting Amstelwijs. Anders dan appellant heeft aangevoerd was aanvankelijk van enige toenadering van zijn kant geen enkele sprake. Een eerste signaal voor een andere opstelling van appellant was het maken van excuses na de verspreiding van het visiedocument, maar op dat moment waren de verhoudingen al onherstelbaar verstoord. Er bestond dan ook geen aanleiding voor het bestuur bovenop de garantie op een uitkering ingevolge de WW en een bovenwettelijke uitkering nog een vergoeding te verstrekken.

De loonkorting en de uitkering op grond van artikel 39 BZA.

4.4.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestuur bij de vaststelling van de loonkorting en de uitkering op grond van artikel 39 van het BZA ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het bestuur tekort is geschoten bij de re-integratie van appellant tijdens zijn ziekteverzuim. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in het rapport van de arbeidsdeskundige dat appellant heeft overgelegd, geen grond is gelegen voor het achterwege laten van de loonkorting. Eveneens heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestuur op grond van artikel 39, eerste lid, van het BZA niet bevoegd is na twaalf maanden ongeschiktheid een hogere uitkering te verlenen dan 70% van de laatst genoten bezoldiging.

RDDF.

4.5.

Tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep tegen het besluit over de plaatsing van zijn functie in het RDDF indien het ontslag in stand blijft, is appellant terecht niet opgekomen, aangezien dat oordeel juist is. De beroepsgronden van appellant over de plaatsing van zijn functie in het RDDF behoeven gelet op het onder 4.3.3 overwogene dan ook geen bespreking.

Conclusie.

4.6.

Het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover de rechtbank het ontslag wegens plichtsverzuim in stand heeft gelaten. De Raad zal het ontslag op de primaire ontslaggrond herroepen. Voor het overige zal de uitspraak van de rechtbank worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat het bestuur te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en de proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor kosten van rechtsbijstand en € 19,80 voor reiskosten in beroep en hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van 29 maart

2012 ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 maart 2012 gegrond;

- vernietigt het besluit van 29 maart 2012 voor zover het bestuur het ontslag op de primaire

ontslaggrond heeft gehandhaafd;

- herroept het besluit van 19 september 2011 voor zover appellant daarbij ontslag is verleend

op de primaire ontslaggrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van

29 maart 2012;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het bestuur in de kosten van appellant in bezwaar, in beroep en hoger beroep tot

een bedrag van € 2.959,80;

- bepaalt dat het bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 402,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2015.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) B. Rikhof

HD