Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
14/1099 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellant op de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1099 ZW

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

31 januari 2014, 13/60 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C. Breuls, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als service- en onderhoudsmonteur. Per 19 juni 2012 heeft hij zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering kreeg op grond van de Werkeloosheidswet, ziek gemeld vanwege artroseklachten en een ziekenhuisopname als gevolg van een longontsteking.

1.2.

Op 14 september 2012 heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. In zijn rapport van diezelfde datum heeft de verzekeringsarts overwogen dat appellant per

17 september 2012 in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten.

1.3.

Bij besluit van 14 september 2012 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd per 17 september 2012. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts van 14 september 2012 ten grondslag. Appellant heeft tegen het besluit van 14 september 2012 bezwaar gemaakt.

1.4.

Het bezwaar is bij besluit van 28 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen een arbeidskundig rapport van 20 november 2012 en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 november 2012 ten grondslag.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant op het spreekuur heeft gezien, het medisch dossier heeft bestudeerd en kennis heeft genomen van het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 november 2012. De rechtbank heeft de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven dat appellant op 17 september 2012 in staat was om de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep beschreven arbeid te verrichten.

2.2.

Over de door appellant overgelegde informatie van zijn huisarts heeft de rechtbank geoordeeld dat daaruit niet blijkt dat appellant op de datum in geding zijn arbeid niet kan of mag verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij door zijn klachten niet in staat is zijn arbeid te verrichten. Hij heeft de opvatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bestreden dat hij met de slijtageklachten en gewrichtsklachten aan schouders, knieën, handen en duimen zijn werk als service- en onderhoudsmonteur kan uitvoeren. De rechtbank heeft volgens appellant onvoldoende gemotiveerd hoe zij tot haar standpunt is gekomen dat niet is aangetoond dat appellant op de datum in geding zijn werk niet zou kunnen of mogen verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW wordt ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep niet gesteld dat de beschrijving van het werk van een service- en onderhoudsmonteur, zoals de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep die heeft gegeven met zijn rapport van 20 november 2012, onjuist is. De rechtbank is van een juiste maatstaf voor “zijn arbeid” uitgegaan.

4.3.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de medische aspecten van het bestreden besluit en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellant op de datum in geding.

4.4.

Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 november 2012 blijkt dat hij appellant heeft gezien, dossierstudie heeft verricht en informatie van de behandelend sector bij zijn overwegingen heeft betrokken. Hij heeft vastgesteld dat röntgenonderzoek geen afwijkingen aan bekken of heup heeft aangetoond. Hij heeft de overweging van de verzekeringsarts onderschreven dat de afwijkingen niet van dusdanige ernst zijn dat appellant er niet mee kan werken. Over de klachten aan de handen van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn nadere rapport van 31 januari 2013 overwogen dat daarnaar binnen de behandelend sector geen onderzoek heeft plaatsgevonden en dat hij bij eigen onderzoek van de handen van appellant geen duidelijke afwijkingen heeft gevonden die aan werken in de weg staan. Er is geen aanleiding om dit standpunt voor onjuist te houden.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015.