Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
12/1627 WMO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Toekenning vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel. Deskundige revalidatiearts concludeert op verzoek van de rechtbank dat er een indicatie bestaat voor een scootmobiel en een elektrische rolstoel niet is aangewezen. De Raad raadpleegt ook een revalidatiearts, die een scootmobiel geen geschikt vervoermiddel voor appellant vindt. Een elektrische rolstoel met besturing via een joystick op de linkerarmsteun is medisch het meest geschikt voor appellant. Het taalgebruik in het rapport van de revalidatiearts is bepaald minder gelukkig maar dit doet niet af aan de medische zienswijze en conclusies van de deskundige. Opdracht aan het college om, mian van deze TU, een nieuwe bob te nemen waarbij aan appellant een elektrische rolstoel wordt toegekend. Hierbij betrekken welke aanpassingen de revalidatiearts heeft genoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1627 WMO-T

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

10 februari 2012, 10/1482 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Lynen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lynen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Braken en T.M.H. Bindels. Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en

dr. R.M. van Mechelen verzocht als deskundige een onderzoek in te stellen en verslag uit te brengen. Van Mechelen heeft op 5 januari 2015 rapport uitgebracht.

Beide partijen hebben hun zienswijze op het verslag naar voren gebracht. Van Mechelen heeft op 6 mei 2015 op de zienswijze van het college gereageerd .

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lynen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door Bindels en N. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 29 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 augustus 2010 (bestreden besluit), heeft het college een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aan appellant toegekend in de vorm van een scootmobiel. Aan dit besluit ligt een rapportage van een deskundige van Scio Consult ten grondslag.

2.1.

In beroep heeft de rechtbank aanleiding gezien een nader medisch onderzoek te doen instellen door revalidatiearts E.P.F. Janssen van Orbis Medisch Centrum. Janssen heeft op

7 juli 2011 een rapport uitgebracht, aangevuld bij brieven van 27 september en

10 en 18 oktober 2011. Janssen komt tot de conclusie dat er op basis van de geobjectiveerde medische problematiek en het functioneren van appellant een indicatie bestaat voor een scootmobiel en dat een elektrische rolstoel niet is aangewezen.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat zich geen feiten en omstandigheden voordoen die maken dat van de vaste lijn moet worden afgeweken dat het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige in beginsel dient te worden gevolgd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat een scootmobiel geen adequate compensatie biedt. Onder verwijzing naar informatie van zijn behandelaars heeft appellant aangevoerd dat hij is aangewezen op een elektrische rolstoel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze het college appellant dient te compenseren voor de door hem ondervonden beperkingen bij het zich verplaatsen buitenshuis.

4.2.

Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie van de behandelend artsen van appellant en het verhandelde ter zitting van 18 december 2013, heeft de Raad aanleiding gezien om een nader medisch onderzoek in te laten stellen door revalidatiearts Van Mechelen. Van Mechelen heeft geconstateerd dat sprake is van lunatomalacie aan de rechterpols van appellant, een aandoening aan het bot van de pols. Appellant heeft een endogene polsprothese om de klachten te verminderen en de functie te herstellen en hij draagt een lederen polsorthese om de prothese te beschermen. Volgens

Van Mechelen moet worden voorkomen dat de kwetsbare polsprothese los gaat zitten en moet worden vervangen. Het besturen van een scootmobiel vergt handkracht en brengt bij het vasthouden van het stuur trillingen en schokken over op de rechterpols en de polsprothese met het risico dat deze loslaat. Daarom acht Van Mechelen een scootmobiel geen geschikt vervoermiddel voor appellant. Een elektrische rolstoel met besturing via een joystick op de linkerarmsteun veroorzaakt minder trillingen en ontziet daarmee de polsprothese en is daarom het meest geschikt voor appellant. Van Mechelen acht geen anti-revaliderende effecten aanwezig bij het gebruik van een elektrische rolstoel door appellant. Wel dienen de technische specificaties van de rolstoel afgestemd te zijn op een gewicht van de gebruiker van ten minste 125 kilo en een hellingshoek van ten minste 7%, gelet op de ligging van het huis van appellant aan de voet van een heuvel. Ook dient de rolstoel te worden uitgerust met een hoofdsteun.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor.

4.4.

De Raad overweegt dat aan het college kan worden toegegeven dat het taalgebruik in het rapport van Van Mechelen in de passages die niet direct zijn gerelateerd aan de door de Raad geformuleerde onderzoeksvragen, bepaald minder gelukkig is en in zoverre ook niet steeds recht doet aan de inzet van enkele bij deze zaak betrokken personen en instanties. Dit doet echter niet af aan de in het rapport neergelegde medische zienswijze en conclusies van Van Mechelen, waartegen het college, zo stelt de Raad vast, geen specifieke, met (medische) stukken onderbouwde, bezwaren naar voren heeft gebracht. Van Mechelen heeft in zijn rapport en de aanvullende brief gemotiveerd te kennen gegeven waarom hij de visie van de behandelend revalidatiearts H.J.M. Vonken onderschrijft dat een elektrische rolstoel het meest geschikte vervoermiddel is voor appellant. In dit verband heeft het college ook niet betwist de conclusie van Van Mechelen dat trillingen in verband met de kwetsbaarheid van de polsprothese zoveel mogelijk moeten worden vermeden. Er is voor de Raad dan ook geen aanleiding om het rapport van Van Mechelen in zoverre niet te volgen. Dat de zienswijze van Van Mechelen afwijkt van de opvatting van een andere, door één van de partijen of de rechtbank geraadpleegde deskundige is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen.

4.5.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en dat dit besluit wegens strijd met

artikel 7:12 van de Awb geen stand kan houden.

4.6.

Het besluit van 3 september 2013 ziet op een verzoek om een vernietiging per andere datum als hier in geding en is dan ook niet aan te merken als besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht zodat het besluit niet in de onderhavige beoordeling wordt betrokken.

4.7.

In het voorliggende geval leent de aard van de vastgestelde gebreken zich niet voor finale beslechting door de Raad. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen om met inachtneming van deze tussenuitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij aan appellant een elektrische rolstoel wordt toegekend. Hierbij dient het college verder te betrekken wat door Van Mechelen is opgemerkt over de technische specificaties van zo'n rolstoel, de wijze van besturing en de overige aanpassingen die hij noodzakelijk acht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 25 augustus 2010 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.A. Boersma en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015.

(getekend) J. Brand

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD