Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2793

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
14/2056 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 30 juli 2012 bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 24 en 25 juli 2012. Appellant kan worden gehouden aan zijn verklaring bij de rechtbank. De brief van het college in reactie op de klacht heeft appellant geen aanleiding gegeven om het college te laten weten dat hij al bezwaar had gemaakt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de klachtbrief niet ook hoefde op te vatten als een bezwaarschrift. Geen grond voor toepassing art. 6:11 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2056 WWB

Datum uitspraak: 18 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 februari 2014, 13/4707 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. Groeneveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. de Jong. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.W.J. de Bruijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft, nadat zijn onderneming [BV] was gefailleerd en hij in de vorm van een eenmanszaak een doorstart had gemaakt, op 30 mei 2012 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 20 juni 2012 heeft het college appellant een voorschot verstrekt. Bij besluit van 24 juli 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen omdat appellant inkomen heeft boven de voor hem geldende bijstandsnorm. Bij besluit van 25 juli 2012 heeft het college het verstrekte voorschot teruggevorderd. Bij brief van 30 juli 2012 heeft appellant bij het college een klacht ingediend tegen de afdelingen WWB en BBZ. In reactie daarop heeft het college appellant op

23 augustus 2012 bericht dat de klacht, voor zover die betrekking heeft op de afwijzing van de bijstand bij besluit van 24 juli 2012, niet in behandeling wordt genomen omdat tegen dat besluit bezwaar openstaat tot zes weken na de beslissing. De klacht tegen de afdeling BBZ heeft geresulteerd in het opnieuw onderzoeken van de situatie van appellant als zelfstandige. Tot een aanvraag heeft dat niet geleid, wat - zo begrijpt de Raad - verband houdt met het feit dat appellant dan een ondernemingsplan had moeten opstellen, wat teveel tijd en kosten met zich zou brengen.

1.2.

Bij brief van 3 mei 2013 heeft appellant - buiten de daarvoor genoemde termijn - bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de bijstand en de terugvordering van het voorschot. Gevraagd door het college naar de termijnoverschrijding heeft appellant aangegeven dat hij op 30 juli 2012 niet alleen een klacht heeft ingediend, maar ook bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten met betrekking tot de afwijzing van de bijstand en de terugvordering van het voorschot.

1.3.

Bij besluit van 11 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 juli 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat het op

3 mei 2013 gedateerde bezwaarschrift is ingediend na het verstrijken van de bezwaartermijn. Het college ziet geen aanleiding de klacht van 30 juli 2012 op te vatten als bezwaarschrift.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder andere overwogen dat appellant ter zitting heeft verklaard twee brieven, een bezwaarschrift met bijlagen en een klacht met bijlagen, enkelzijdig afgedrukt in één envelop te hebben verzonden aan het college. De rechtbank heeft uit eigen bevinding, door het wegen van het pakket in de postkamer, vastgesteld dat de klachtbrief met bijlagen 223 gram weegt. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat het alsnog overgelegde bezwaarschrift inclusief bijlagen dezelfde omvang heeft. Op het verzendbewijs dat appellant heeft overgelegd staat vermeld dat het verzonden pakket een gewicht heeft van 211 gram. Hieruit kan volgens de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat appellant in de envelop slechts één pakket met bijlagen aan het college heeft verzonden. Omdat in de door het college overgelegde stukken alleen de klachtbrief zit en het college de ontvangst daarvan heeft bevestigd, moet worden geconcludeerd dat het verzendbewijs ziet op de klacht en niet (ook) op het bezwaarschrift. De rechtbank ziet tot slot geen reden de klachtbrief ook op te vatten als bezwaarschrift. De brief betreft duidelijk een klacht tegen de handelwijze van de gemeente Tilburg, van zowel de afdeling WWB als de afdeling BBZ. De rechtbank stelt bovendien vast dat zij niet toekomt aan een oordeel over het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2012, omdat het college nog altijd geen besluit op het bezwaar tegen dat besluit heeft genomen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, primair op de grond dat op 30 juli 2012 een bezwaarschrift is ingediend tegen de besluiten van 24 en 25 juli 2012 en subsidiair op de grond dat de klacht van 30 juli 2012 tevens als bezwaarschrift had moeten worden behandeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift van 3 mei 2013 niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend.

4.3.

Met overneming van de overwegingen van de rechtbank op dat punt, onderschrijft de Raad dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 30 juli 2012 bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 24 en 25 juli 2012. De enkele mededeling in hoger beroep dat sprake zou kunnen zijn van dubbelzijdige kopieën is daartoe onvoldoende. Appellant kan worden gehouden aan zijn ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring dat hij de klacht enkelzijdig had afgedrukt. De Raad wijst er bovendien op dat het college appellant in de brief van 23 augustus 2012 heeft bericht dat de klacht, voor zover die zou zien op de afwijzing van de bijstand, niet in behandeling zou worden genomen omdat daartegen bezwaar openstond. Appellant heeft daarin kennelijk geen aanleiding gezien om het college te laten weten dat hij al bezwaar had gemaakt.

4.4.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om de klachtbrief ook op te vatten als een bezwaarschrift, gericht tegen de afwijzing van de aanvraag en/of de terugvordering van het voorschot. In de klachtbrief van 30 juli 2012 staat - voor zover hier van belang - het volgende:

“Gezien vooraanstaande feiten blijk ik van het kastje naar de muur te worden gestuurd, wordt ik niet terug gebeld door de afdeling BBZ en wordt mijn aanvraag voor die uitkering zonder enig inzage in documenten en levensvatbaarheid van mijn onderneming afgewezen. Daarnaast is er sprake van ernstige miscommunicatie binnen de gemeente Tilburg.

Ik wens dat mijn klacht tot op de bodem wordt uitgezocht en dat ik met een versnelde procedure wordt geholpen om mijn aanvraag voor een bijstandsuitkering of BBZ uitkering of BBZ lening in behandeling wordt genomen.”

4.5.

De eerste in 4.4 geciteerde alinea ziet specifiek op een aanvraag BBZ en betreft derhalve niet de afwijzing van een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB. In de tweede alinea wordt aangedrongen op het in behandeling nemen van een aanvraag om bijstand. De aanvraag van 30 mei 2012 was al in behandeling genomen en gevolgd door de afwijzende beslissing bij besluit van 24 juli 2012. De klacht houdt niet in dat het college de bijstand had moeten toewijzen, in plaats van afwijzen. De klachtbrief bevat tot slot ook geen gronden, gericht tegen de grondslag van de afwijzing, inhoudende dat appellant inkomsten boven de voor hem geldende bijstandsnorm geniet.

4.6.

In wat appellant heeft aangevoerd is tot slot geen grond gelegen voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest als bedoeld in

artikel 6:11 van de Awb. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 25 juli 2012 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD