Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
14/2873 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening toegekende studiefinanciering van de norm voor een uitwonende studerende naar de norm voor een thuiswonende studerende. Terugvordering. Niet woonachtig op gba-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2873 WSF

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

13 mei 2014, 13/1732 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante], te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Coskun hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Coskun. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft bij besluit van 22 oktober 2011 met ingang van 1 januari 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van

20 oktober 2012 heeft de minister deze toekenning voor het jaar 2013 voortgezet.

1.2.

Op 22 oktober 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de minister een huisbezoek afgelegd op het adres waarop appellante op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) was ingeschreven om te controleren of zij op dit adres woonachtig is. Een broer van appellante is op dit adres als hoofdbewoner geregistreerd. Hij heeft de controleurs kleding van appellante getoond en verklaard dat appellante sinds twee weken weer bij haar ouders verblijft om te bezien of zij weer een relatie met haar vader kan opbouwen. Als dat lukt gaat ze terug naar het ouderlijk huis om daar te wonen. Van het huisbezoek is op 31 oktober 2012 een rapport opgemaakt.

1.3.

De minister heeft op basis van het onder 1.2 genoemde rapport de aanvankelijk over de periode januari 2012 tot en met oktober 2012 aan appellante toegekende studiefinanciering bij besluit van 8 december 2012 herzien, in die zin dat appellante vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het over deze periode aan appellante te veel betaalde bedrag van € 1.905,40 is daarbij van haar teruggevorderd.

1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 8 december 2012 bezwaar gemaakt. Zij heeft vermeld dat zij met ingang van 12 november 2012 weer op het ouderlijk adres woont.

1.5.

De minister heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 20 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat uit het door de controleurs opgemaakte rapport is gebleken dat appellante niet woont op haar gba-adres. De hoofdbewoner heeft verklaard dat appellante sinds twee weken weer bij haar ouders woont. Van appellante zijn op het gba-adres geen persoonlijke spullen aangetroffen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellante ten tijde van de controle niet woonachtig was op haar gba-adres. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat appellante in het huis van haar broer geen eigen kamer had, dat er geen toiletspullen of bankafschriften zijn aangetroffen en dat haar broer heeft verklaard dat ze sinds twee weken weer bij haar ouders woonde. Nu de broer van appellante heeft getekend voor de juistheid van zijn verklaring ziet de rechtbank geen aanleiding waarde te hechten aan zijn latere verklaring dat hij verkeerd is begrepen.

Met de in beroep overgelegde verklaring van een pedagoge werkzaam bij de onderwijsinstelling waaraan zij studeerde, waarin - kort gezegd - is verklaard dat appellante haar complexe thuissituatie met haar heeft besproken en dat appellante daarop de keuze heeft gemaakt bij haar broer te gaan wonen, heeft zij niet het verlangde onomstotelijke bewijs geleverd dat zij voorafgaand aan de controle wel bij haar broer woonde. Zo is naar het oordeel van de rechtbank bijvoorbeeld niet uitgesloten dat appellante thuis is blijven wonen, maar met enige regelmaat bij haar broer heeft verbleven.

3. Appellante heeft, voor zover nu nog van belang, in hoger beroep aangevoerd dat uit de in beroep overgelegde verklaring van de mentrix van appellante blijkt dat appellante “in de relevante periode” bij haar broer heeft gewoond en dat zij de minister geen onjuiste informatie heeft verstrekt.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van

10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5. Voorts is in dit artikel bepaald dat onder studiefinancieringstijdvak wordt verstaan een kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste één kalendermaand is.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gba staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gba staat of staan ingeschreven.

4.1.3.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de gba.

4.1.4.

In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan appellant de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.

In zaken als de onderhavige moet de minister, wil deze tot herziening van eerder toegekende aanspraken overgaan, aannemelijk maken dat de studerende niet heeft voldaan aan de in artikel 1.5 van de Wsf 2000 opgenomen voorwaarden. De minister heeft aan deze bewijslast voldaan.

4.3.

Uit het door de controleurs opgemaakte rapport heeft de minister mogen concluderen dat appellante ten tijde van de controle niet woonde op haar gba-adres. Op dat adres zijn geen direct tot appellante te herleiden spullen aangetroffen. De broer van appellante heeft in zijn verklaring vermeld dat appellante ten tijde van de controle niet op dat adres woonachtig was, maar dat zij (weer) bij haar ouders woonde. Hij heeft verklaard dat appellante af en toe (nog) op het gba-adres sliep. Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht als verklaring voor de beperkte aanwezigheid van aan haar toebehorende spullen op het gba-adres, is onvoldoende om de conclusie uit het rapport te weerleggen. Terecht heeft de rechtbank in hetgeen in beroep is aangevoerd geen aanleiding gezien voor vernietiging van het bestreden besluit. Terecht is daarbij geoordeeld dat de door appellante overgelegde verklaring en de informatie met betrekking tot de ziekte van haar vader geen bewijs leveren van daadwerkelijke bewoning van het gba-adres, ook niet voor de periode voorafgaand aan de controle, zodat eveneens terecht is geoordeeld dat de minister voor toepassing van de hardheidsclausule geen aanleiding behoefde te zien.

4.4.1.

Appellante heeft in hoger beroep twee aanvullende verklaringen overgelegd, een van de vader van appellante en een van een buurvrouw. In beide verklaringen wordt 12 november 2012 genoemd als de datum van verhuizing van het gba-adres naar het ouderlijk adres, waarbij wordt aangesloten bij de datum die in de gba als verhuisdatum van appellante is geregistreerd. In de verklaring van een buurvrouw wordt daarnaast gesteld dat appellante bij haar broer een eigen kamer had.

4.4.2.

De overgelegde verklaringen bevatten gegevens die niet te rijmen zijn met wat appellante en haar broer hebben verklaard. Zo heeft appellante zelf verklaard dat zij sinds oktober 2012 niet meer bij haar broer kon verblijven omdat deze zijn huis aan het verbouwen was en veel spullen, waaronder een bed van appellante, had weggegooid, en heeft zij op

1 november 2012 aan de minister gemeld dat zij vanaf die datum weer thuiswonend was.

Appellantes broer heeft verklaard dat appellante een kamer moest delen met zijn dochter.

4.5.

Wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.4.2 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

AP