Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2780

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
13/6718 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd, die maken dat het Uwv terug had moeten komen van de beslissing van 26 mei 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6718 ZW

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

11 november 2013, 12/1820 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.M.J.J. Dewarrimont hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft Dewarrimont nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als Plant Manager. Op 15 december 2008 heeft hij zich ziek gemeld met hartklachten. Op 22 april 2009 is hij op staande voet ontslagen.

1.2.

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) afgewezen omdat appellant door zijn eigen toedoen op staande voet is ontslagen. Als dit niet was gebeurd had hij loon ontvangen en geen beroep hoeven doen op de ZW. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Appellant heeft zijn ontslag op staande voet aangevochten. Op 21 september 2010 heeft de kantonrechter van de rechtbank Roermond tussenvonnis gewezen. De (ex-)werkgever van appellant is toegelaten te bewijzen dat er een dringende reden was voor het ontslag op staande voet.

1.4.

Appellant heeft verzocht om herziening van het besluit van 26 mei 2009. Daarbij heeft appellant gewezen op het vonnis van de kantonrechter van 21 september 2010.

1.5.

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft het Uwv het besluit van 26 mei 2009 gehandhaafd. Bij besluit van 7 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2012 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is de (ex-)werkgever van appellant door de kantonrechter weliswaar in de gelegenheid gesteld getuigenbewijs in te brengen, maar doet het vonnis van de kantonrechter niet af aan de grond waarop in het besluit van 26 mei 2009 ziekengeld is geweigerd. In het vonnis van de kantonrechter had het Uwv dan ook geen aanleiding behoren te zien zijn besluit van 26 mei 2009 te herzien. Dat het Uwv nader onderzoek had moeten doen naar de omstandigheden waarop het ontslag op staande voet heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van de rechtbank een argument dat eiser al had kunnen aanvoeren bij het maken van bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2009.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep - kort weergegeven - opnieuw aangevoerd dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat het Uwv terug had moeten komen van de beslissing van 26 mei 2009. Volgens appellant heeft het Uwv bovendien nagelaten zelfstandig te onderzoeken of sprake was van een dringende reden voor het ontslag. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat hij niet in staat was zijn herzieningsverzoek op een eerder moment in te dienen. Hij heeft daarbij gewezen op een verklaring van 10 mei 2010 van zijn behandeld psychiater.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het in 1.4 genoemde verzoek van appellant strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 26 mei 2009.

4.2.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Er is alleen plaats voor inhoudelijk toetsing voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, is voor inhoudelijk toetsing geen plaats.

4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het vonnis van 21 september 2012 niet is aan te merken als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het vonnis voegt aan de ontslagreden voor de werkgever geen nieuwe feiten toe, noch blijken de omstandigheden waaronder dat ontslag werd gegeven veranderd te zijn. Het Uwv was dan ook bevoegd om het verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met een verwijzing naar het besluit van 26 mei 2009. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.4.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, overweegt de Raad voorts dat aan het indienen van een verzoek tot herziening van een eerder genomen besluit geen termijn is verbonden. Voor zover appellant heeft willen aanvoeren dat het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 26 mei 2009 niet tijdig is ingediend maar dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, volgt de Raad dit betoog niet. Omdat in deze procedure slechts het verzoek tot herziening van een eerder genomen besluit voorligt, kan dit argument in deze procedure geen rol spelen.

4.5.

Zoals het Uwv ter zitting ook heeft opgemerkt, kan de medische informatie die appellant in hoger beroep heeft overgelegd tot slot niet worden meegenomen in de beoordeling. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, is alleen plaats voor inhoudelijk toetsing van deze informatie indien deze in de bestuurlijke fase is aangevoerd. Dat is hier niet het geval.

4.6.

Uit het onder 4.1 tot en met 4.5 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J. Smeets als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) D. van Wijk

UM